De tegenmaatschappij van de Franse buitengewesten – En in Nederland? – Brexit-mythes

Dit essay bestaat uit drie delen.

1. De tegenmaatschappij van de Franse buitengewesten

2. Een tegenmaatschappij ook in Nederland? Meer dan driekwart van de Nederlanders leeft niet in ‘grote steden’

3. Brexit-mythes

Anneke van Ammelrooy

Waar komt de populariteit van het Front National in Frankrijk vandaan? Daar worden in het land zelf uiteenlopende verklaringen voor gevonden – van kiezers die debiel of islamofoob zouden zijn tot fundamentele koerswijzigingen van de derde partij van Frankrijk. Eén verklaring blijkt een grote voorspellende waarde te hebben als het om kiezersgedrag in Frankrijk gaat: die van Christophe Guilluy c.s. Waar de ‘sociale kwetsbaarheid’ groot is en toeneemt, rukt het FN op.

Zijn laatste bestseller was het boekje La France périphérique, Het Frankrijk van de periferie. De ondertitel, Comment on a sacrifié les classes populaires, zou misschien nog het beste populistisch vertaald kunnen worden met ‘Hoe de gewone man werd opgeofferd’.

“Tot 2000 ging alles goed,” schrijft Guilluy in zijn inleiding. De Franse grote steden, agglomeraties van samen rond de 2600 gemeenten, waren erin geslaagd zich “aan de normen van de wereldeconomie aan te passen”. De metropolen, die inmiddels zo’n tweederde van het bruto nationaal product voor hun rekening namen, waren “etalages van een gelukkig stemmende globalisering” geworden. Een breed scala aan banenmotors had zich er gevestigd: sectoren zoals design en research, banken, logistiek- en transportondernemingen, cultuur en vrijetijdsbestedingen, organisaties, onderwijs (de regio Île de France met de hoofdstad Parijs heeft de grootste universiteitsdichtheid ter wereld).

Radicalisering

Wat er buiten de grote steden gebeurde, in kleinere regionale hoofdsteden, in stadjes, op het platteland, kortom in de 34.000 overige gemeenten van Frankrijk, had in 2000 al langere tijd de aandacht van de massamedia en Parijse intellectuelen niet meer, hoewel in die gemeenten toch vier op de vijf Fransen hun woonplaats hadden. Tot die zich begonnen te roeren. Niet de onderbetaalde immigranten in de grote steden bleken te radicaliseren en door middel van sociale bewegingen revolutie te willen, maar de buitengewesten. De sluiting van weer een fabriek of landbouwbedrijf waarin een groot deel van de lokale bevolking ooit emplooi vond, werd geregeld een zelfs voor de Parijse media salonfähig drama.

Bij alle verkiezingen groeide de aanhang van het FN. Om zich tegen de Socialistische Partij (PS) af te zetten, was het rechtse FN aanvankelijk ultraliberaal en predikte weg-met-de-verzorgingsstaat-en-leve-de-markt. Maar toen “de arbeiders het FN opzochten” (dus niet omgekeerd) wisselde de partij van koers en werd pleitbezorger van de verzorgingsstaat, een sterke, interveniërende staat en verdediger van uitkeringen.

De Bretonse beweging van de Bonnets Rouges in 2013, even massaal als en gewelddadiger dan de Occupy-beweging elders, werd een eye-opener, ook dankzij het visueel fantastische materiaal: massa’s mannen met rode mutsen die protesteerden tegen de invoering van de ecotax op snelwegen en andere wantoestanden in hun regio (zoals het gebrek aan regionale bevoegdheden om besluiten voor de regio te nemen).

Nieuwe alliantie

In de buitengewesten werd een “tegenmaatschappij” geboren, meent Guilluy. Het is een alliantie van bevolkingscategorieën die voorheen geacht werden elkaars opponenten te zijn als belangengroepen: jongeren en gepensioneerden, kleine boeren en naar het platteland verkaste stedelingen, werkenden en werkelozen. Ze zijn verbonden door eenzelfde lot dat Guilluy vereenvoudigt tot: ze profiteren niet van de globalisering, ze ondervinden alleen de negatieve gevolgen ervan. Het is een alliantie die geboren is “op de ruïnes van de vroegere middenklasse”, die volgens Guilluy ingestorte middenklasse die door de regeringspartijen nog steeds heel slim wordt bejubeld als leidende sociale categorie maar het in werkelijkheid nergens meer voor het zeggen zou hebben. Deels zijn het mensen die door de welbekende gentrification van de binnensteden van metropolen verdreven zijn naar goedkopere huur- en koopwoningen aan de rand van de stad of op het platteland. Of ze hebben de benen genomen toen immigranten in hun stadswijk de overhand kregen, want “niemand wil een minderheid worden”, cultureel en religieus niet. Ze betalen voor hun vertrek een hoge prijs: bijvoorbeeld hun hogere transportkosten om met hun privé-auto naar hun werk te reizen. Andere bondgenoten in deze alliantie zijn gepensioneerden die de waarde van hun huis in een groen buitengewest na de crisis van 2008 hebben zien dalen, werknemers wier bedrijf naar een lagelonenland verhuisde of dat de gevolgen ondervond van (discutabele) EU-wetgeving, laag- en hooggeschoolde jongeren die hun volwassen leven beginnen met jaren werkloos blijven, tenzij ze in staat en bereid zijn te emigreren (ongeveer een op de vijf jonge ingenieurs verlaat Frankrijk en van de naar schatting 1,5 miljoen Fransen die in het buitenland werken, heeft minstens de helft een masterdiploma schat de regering).

Criteria

Om Guilluy en de zijnen te volgen, moet de lezer zich schrap zetten voor wat statistiek. In plaats van te kijken hoeveel onbebouwd, groen oppervlak een Franse gemeente heeft, of hoeveel inwoners per vierkante kilometer (zoals de EU doet, zie http://ec.europa.eu/regional_policy/sources/docgener/work/2014_01_new_urban.pdf), hebben ze elke gemeente beoordeeld aan de hand van criteria die een beeld geven van de “sociale kwetsbaarheid” van zijn inwoners. Het zijn criteria als percentage industriearbeiders, parttimers, flexwerkers, werkelozen, het gemiddeld inkomen. Als een gemeente op drie van acht kencijfers een punt scoort omdat de lokale situatie boven of onder het nationaal gemiddelde ligt, behoort zij tot de sociaal kwetsbare gebieden. Die benaming blijkt dan (in 2011) van toepassing op ruim 12 procent van de gemeenten in grootstedelijke agglomeraties en op bijna 75 procent van de gemeenten daarbuiten (inclusief overigens de Franse overzeese koloniën).

Voor deze gebieden, waar de mobiliteit van de inwoners met het jaar daalt, zou dus op allerlei fronten heel ander beleid moeten gelden dan voor de grote steden. Guilluy legt niet uit hoe dat eruit had moeten zien of nu zou moeten zijn. Maar ander overheidsbeleid, niet gericht op inpassing in de globalisering, is er niet, afgezien van een zeer recent initiatief van bestuurders van enkele tientallen departementen om regionale pluspunten te ontwikkelen (de Nouvelles Ruralités).

De Dertig Gloriejaren

In de termen van Guilluy zijn de politici blijven steken in de ideologie van Les Trente Glorieuses, de dertig economische gloriejaren na 1945, aan het eind waarvan zelfs kort bijna volledige werkgelegenheid heerste (zoals ook in Nederland). De volgende veertig jaar bleven er ondanks hardnekkige massale werkloosheid evenveel immigranten naar Frankrijk komen (meer dan 200.000 per jaar), werd het beschermen van de eigen markt grotendeels een door de EG verboden economische strategie en mocht de Franse overheid evenals regeringen in de andere EG-landen de nationale munt niet meer devalueren om haar schulden te verminderen.

Guilluy noemt het niet maar ook bleef de politiek te lange tijd getrouwd met het idee dat bepaalde grote multinationals zoals die van de auto-industrie de banenmotors waren, terwijl het midden- en kleinbedrijf dat was geworden. Maar allerlei wetgeving bleef een een-tweetje met grote bedrijven en dus vaak onuitvoerbaar door kleine bedrijven of zelfs schadelijk voor hen.

Verzekering

De “sociaal kwetsbare” gemeenten ervaren de open grenzen van de EU, het verlies van zeggenschap over nationale, regionale en lokale wetgeving en de globalisering vermoedelijk anders dan de metropolen. Het is nergens in de EU onderzocht. Er was in de Franse contreien heftig verzet tegen de afschaffing van het département als bestuurslaag omdat inwoners zich ermee konden identificeren. Het is ook geen wonder dat recentelijk 68 procent van de Franse hooggeschoolden (grotestadsbewoners) de globalisering als een kans zagen en 74 procent van de arbeiders als een bedreiging. Ook sociaal kwetsbaren zien wel in dat er een geldstroom van de welvarender steden naar de buitengewesten loopt, in de vorm van pensioenen, vakantiebesteding in eigen land, tweede huisjes en industrieën die zich van de grote steden naar goedkoper grondgebied daarbuiten verplaatsen. Maar dat is geen resultaat van overheidsbeleid, het gebeurt door keuzes van particulieren.

Desgevraagd in enquêtes menen de meeste Fransen in sociaal kwetsbare gemeenten ook dat ze een stadse manier van leven hebben (vanwege supermarkten, televisie etc.) maar ze ervaren hun gemeente als groen, als platteland, als stadje, als groot dorp en volgens Guilluy als een plek waar ze dankzij intensere sociale relaties en grotere solidariteit cultureel en maatschappelijk nog “beschermd” zijn, geen minderheid die bij het oversteken van een plein beter “de ogen neerslaat”.

Guilluy refereert er niet aan, maar in de sociologie en politieke wetenschappen ziet men nu vaak een homogene groep of samenleving als een soort systeem van verzekering: jullie helpen mij en ik help jullie. Nieuwkomers en vreemdelingen zijn van die “verzekeringen” uitgesloten. Het is naar mijn mening ook in industriestaten een sociaal mechaniek om rekening mee te houden. Het leidt zelfs tot de paradoxale situatie dat mensen de straat opgaan om te demonstreren tegen het invoeren van sociale voorzieningen die ze eigenlijk zelf hard nodig hebben, zoals in de VS, waar ook door arme blanken actie werd gevoerd tegen de verplichte ziektekostenverzekering van Obama – vanuit het idee dat ook minderheden ervan zouden profiteren die dat niet verdienen.

Minderheid

Guilluy citeert een wereldwijde enquête waaruit de Fransen even xenofoob te voorschijn komen als de meeste andere aardbewoners. Verzet tegen massale immigratie is “universeel” en vindt bijvoorbeeld ook in Algerije plaats tegen de komst van de Chinezen, of in Marokko tegen zwarte Afrikanen. Angst voor immigratie slaat zelfs over naar gebieden waar nog amper vreemdelingen wonen.

Niettemin blijven de vijandelijkheden in Frankrijk binnen de perken. Door de aanslagen in Parijs is het aantal ernstige incidenten tegen moslims omdat ze moslim zijn waarschijnlijk toegenomen, maar de tientallen per jaar die voorheen gemeld en te betreuren waren, geven nou niet bepaald het idee van Franse autochtonen op het oorlogspad, aldus Guilluy. Je kunt het wegtrekken van autochtonen uit bepaalde wijken veroordelen, schrijft Guilluy, maar dat “separatisme” kan ook positief uitgelegd worden als “een manier om conflicten, haatdragendheid en geweld te vermijden” en het is niet voor niets dat juist in de grote steden mensen van één bepaalde nationaliteit bij elkaar gaan wonen, ondanks “belachelijke” bestuurlijke pogingen de “mixité” te bevorderen. “Niemand wil een minderheid zijn”, poneert hij, en voortdurend over zijn positie moeten onderhandelen. En zoals de immigranten vaak hun Hinterland koesteren, hun land van oorsprong en van geïdealiseerde jeugdherinneringen, zo doen veel Fransen dat met hun platteland, ook al is het levendige boerendorp dan een “fantasma” geworden.

Gewone man

Wie vertegenwoordigt in de politiek de “sociaal kwetsbaren”, die meerderheid van de Franse bevolking die niet in het succesverhaal van de globalisering voorkomt?

Het is in Frankrijk al lang niet meer zo dat ambitieuze arbeiderskinderen zich willen opwerken binnen de regeringspartijen om meer te kunnen betekenen voor hun gemeente of regio. Die partijen (al ruim een halve eeuw voorstander van de globalisering) zijn hun intellectuele habitat niet meer. Ooit was in één op de acht Franse steden met meer dan 30.000 bewoners de burgemeester een voormalig arbeid(st)er, nu is dat nog het geval in 0,4% van die steden. Van alle parlementariërs kan zich momenteel helemaal niemand meer een van oorsprong gewone man noemen (in onze Tweede Kamer heeft vrijwel iedereen gestudeerd).

De Franse kiezers, waar ze ook wonen, zijn in grote meerderheid uitgesproken negatief over hun politici, meer dan vier op de vijf vond bij een recente enquête weer eens dat ze voornamelijk hun eigen belangen dienen. Dus dat kiezers bij gebrek aan iets anders op het Front National stemmen dat al heel lang tegen immigratie en wat korter tegen de EU is, is niet zo vreemd, het is ook een manier om de regeringspartijen te straffen.

Met uitzondering van 60-plussers die nog een beetje vasthouden aan de “al lang niet meer actuele” tegenstelling tussen links en rechts en die dus terecht een doelgroep en hoeksteen vormen van de regeringspartijen bij verkiezingen, onttrekken de kiezers in de periferie zich aan de “voogdij” van de oude politiek, ook intellectueel. Dat gehamer op het onderwijsniveau van FN-stemmers “alsof het een soort debielen zijn”, het “demoniseren van het volk” (beproefde methode van elk wankelend regime) moeten verhullen dat zij, aldus Guilluy, “emancipatie van onderen” bedrijven.

De regeringspartijen zien dat niet als een vooruitgang maar als een terugkeer naar de (reactionaire, fascistische) jaren ’30. “Hun fundamentele vergissing bestaat daarin dat ze aan de lagere inkomensgroepen die ontkerkelijkt en ontworteld zijn en soms ook geen eigen cultuur meer hebben, de wil toeschrijven om een reactionair, geïdealiseerd oud Frankrijk te doen herleven dat die mensen niet eens gekend hebben.”

Middenklasse

Ondertussen beleeft Frankrijk in de grote steden “de ondergang van het republikeinse model” (vrijheid, gelijkheid en broederschap), volgens Guilluy althans. Daar ontstaat een steeds minder egalitaire samenleving, als je het nog een samenleving kunt noemen, en misschien is het geen toeval dat een Parijs academicus als Piketty een studie over toenemende ongelijkheid schreef – die hij elke dag vanuit zijn Parijse woonkamer kon waarnemen. Nationale gemiddelden vertellen niet het verhaal van de grote steden en de rest van de gemeenten in Frankrijk. In Guilluy’s af en toe wat te simplistische beeld van Frankrijk ontstaan in de metropolen banen voor de bovenste laag van hooggeschoolden en voor de onderste laag van ongeschoolden, laaggeschoolden, verkeerd geschoolden en immigranten die ongeacht hun scholingsniveau op de onderste treden van de ladder (moeten) beginnen. Deze twee uiterste categorieën wonen in verschillende wijken, hun kinderen gaan niet samen naar school. Tussen die lagen verdwijnen banen, de banen voor de middenklasse (in de industrie, het staatsapparaat, voor zelfstandigen en administratieve beroepsgroepen, door allerlei oorzaken). In tegenstelling tot Nederland kennen de Franse grote steden de laagste werkloosheidscijfers waardoor ze attractief voor immigranten blijven, ook door de veel grotere kansen om hoger onderwijs te volgen en zo op de sociale ladder te stijgen.

Frankrijk telt zo’n 63 miljoen inwoners en als het juist is dat zo’n driekwart van de bevolking niet in de zegeningen van de globalisering deelt en aan de negatieve gevolgen ook niet kan ontsnappen, is dat een niet te negeren enorm aantal waarvoor de heersende marktideologie in Parijs beslist herzien moet worden. Politici moeten “beschermen of verdwijnen” zoals Guilluy’s geestverwant Philippe Cohen hun taak drastisch samenvatte. Momenteel doen die van de regeringspartijen geen van beide. Vandaar de opkomst van het FN. Aldus Guilluy.

Deel 2

Een tegenmaatschappij ook in Nederland? Meer dan driekwart van de Nederlanders leeft niet in ‘grote steden’

Bepaalde overeenkomsten en verschillen tussen Nederland en Frankrijk springen zo in het oog maar ze zijn niet zo gemakkelijk vast te pinnen als het om statistieken gaat. Insee, het Franse bureau voor de statistiek, hanteert andere definities dan ons Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Een grote stad in Frankrijk is voor Insee iets met meer dan 370.000 inwoners, een grote gemeente bij het CBS een stad met 100.000 inwoners of meer.

Te verwachten valt dat Nederland alleen al door zijn vier keer zo grote bevolkingsdichtheid een ander land is dan Frankrijk. Zo is bij ons de werkloosheid het grootst in de grote steden en ligt het inkomen in dorpen en kleine steden gemiddeld hoger. In Frankrijk is dat andersom. Veel andere cijfers die een Nederlandse sociaal geograaf zou nodig hebben om de sociale kwetsbaarheid hier van gemeenten vast te stellen (aantallen uitkeringsgerechtigden, flexwerkers, parttimers, jongere werkelozen etc.), zijn niet beschikbaar, hoewel in samenwerking met CBS, UWV, de fiscus en andere instanties wel te achterhalen.

Ook in Nederland woont zo’n driekwart van de bevolking buiten de regionale hoofdsteden met meer dan 100.000 inwoners (zie onder), maar die meerderheid leeft voor een deel in en van de globale economie. Welk deel is met de beschikbare CBS-statistieken niet te vertellen, ook niet bijvoorbeeld waar de 69.000 Nederlandse bedrijven die aan export doen, eventueel geconcentreerd zijn. Maar welke kleine stad in Nederland heeft eigenlijk geen bedrijventerreinen?

Het CBS vertelt niet wat het aandeel is van alle regionale hoofdsteden aan het bbp* (het Franse Insee wél). CBS’ers hebben Nederland in zelf bedachte regio’s opgedeeld. Weliswaar staan daarin de regio’s “Groot-Amsterdam” en “Groot-Rijnmond” apart genoemd, goed voor resp. zo’n 89 en 61 miljard € bbp, maar dat de provincie Utrecht als één regio geldt en Drenthe wordt opgeknipt in drie regio’s, helpt het vergelijken niet. Het totale Nederlandse bbp is ruim 673 miljard € volgens het CBS, dus de twee grote agglomeraties, samen goed voor 150 miljard €, leveren nog geen kwart van het bbp. Om aan het tweederde aandeel van Frankrijks grote steden in het bbp te komen – voor Nederland dus een getal van zo’n 448 miljard – moet je de hele provincie Noord-Brabant (90 miljard) en Utrecht (53 miljard) erbij nemen, plus Den Haag e.o. (31 miljard) en vervolgens nog enkele andere CBS-regio’s. Zonder verder gereken kun je dus wel aannemen dat de verhouding bij ons tussen grotestadsgemeenten en de rest minder dramatisch is dan in Frankrijk. Oftewel: in Nederland komen de zegeningen en de klappen van de globalisering overal neer, hoewel niet overal in gelijke gedaante.

Het is waarschijnlijk voldoende om de armoedemonitor die het Centraal Plan Bureau (CPB) in 2015 samenstelde op basis van CBS-cijfers over gemeenten, om te werken tot een verhaal dat iets zegt over toenemende of afnemende sociale kwetsbaarheid van gemeenten, om een vergelijking met Franse toestanden mogelijk te maken. Maar dan nog zou ik de planners van verkiezingscampagnes willen meegeven: onze PVV is bepaald niet te vergelijken met het halve eeuw oude Franse Front National. Het FN kent meebeslissende leden en militanten, burgemeesters, vele intellectuelen, heeft een leger aan professionals en een tamelijk consistent beleid in plaats van steeds dezelfde slogans en verder windvaanpolitiek zoals de PVV.

*bruto binnenlands product, zeg, de waarde van alle gemaakte producten en geleverde diensten

Ander beleid nodig?

Waar is het beleid dat rekening houdt met gebieden en groepen die niet tot de Nederlandse exporteconomie behoren of die niet in het globale of Europese verkeer van mensen, geld en goederen hun thuis hebben? Zou zulk beleid moeten bestaan?

We zien die mensen zelden of nooit in het nieuws hoewel burgers uit de onzichtbare steden van Nederland wel vaak opdraven om een landelijk probleem als een soort figuranten te illustreren. Dus weten we niet of zulk beleid nodig is, wat zij ervan vinden. (Zou het ook komen doordat enkele buitengewesten niet eens fatsoenlijk internet kunnen krijgen?) Ik vraag me vaak af als ik door Nederland reis, waarvan de mensen in kleine stadjes eigenlijk bestaan, om nog maar te zwijgen van de dorpen wier economieën helemaal een raadsel voor me zijn.

Mag ik een beetje badinerend doen? Wanneer was Friesland voor het laatst in het nieuws? O ja, vanwege de veldmuizenplaag – die boeren niet op ouderwetse wijze mogen bestrijden (door het openscheuren van graszoden) vanwege EU-wetgeving. Wanneer kwam Drenthe aan bod bij DWDD? Ik heb lang niet alle uitzendingen gezien maar ik herinner me alleen de roman van Peter Middendorp over Emmen (Vertrouwd voordelig, 2014) en een reportage waarin je hem zag en een Emmense wethouder die bezig was een dierentuin te bouwen om geld in het laatje te brengen voor de lokale economie, wellicht met EU-subsidie. Voorts was er uitzonderlijk verzet tegen sluiting van de rechtbank in Assen – een item dat thuishoort in de serie ‘Sluiting van scholen, ziekenhuizen, politiebureaus, postkantoren, banken, bibliotheken enzovoort’ – de provincialen moeten steeds langer reizen terwijl de grootstedeling alles binnen handbereik blijft houden. Zeeland zag ik toevallig voorbijkomen in een achtergrondrubriek op tv vanwege de 4200 huizen die daar te koop of te huur staan en heel eventjes weer vanwege de Hedwigepolder (ook een paar vierkante kilometer conflictgebied door EU-wetgeving), maar dat was het wel. Groningen? Daar hebben ze aardbevingen, anders zou deze provincie bijna even onzichtbaar als Drenthe zijn (hoewel gas behoort tot de global economy). De gedeeltelijke mislukking van het project de Blauwestad om o.a. randstedelingen naar Groningen te lokken is geen nieuws meer, hoewel naar mijn mening de overstromingen die dit vermoedelijk elders in de provincie veroorzaakt dat wél zouden moeten zijn. Limburg kwam in het nieuws dankzij slechts een seksschandaal met een minderjarige en eerder een reclamecampagne onder de ironische leus ‘Zuid-Limburg, je zal er maar wonen’.

Ik ben hier even opzettelijk selectief in mijn herinneringen, maar let eens een week op het NOS-journaal (zie onder) en je zult toch moeten constateren dat het nieuws zelden over dingetjes in onze twaalf provincies ging en dat daar voornamelijk verandering in komt heden ten dage als dorpen en stadjes zich verzetten tegen de komst van grote aantallen buitenlandse asielzoekers. Voor de rest van de tijd zijn die Nederlanders onzichtbaar en blijkbaar belangeloos, totdat ze volgens sommigen op de verkeerde partij gaan stemmen of zich met geweld tegen Haags beleid keren.

Onzichtbare provincies, steden en dorpen

In Nederland wonen ruim 2,7 miljoen mensen in de provinciale hoofdsteden (cijfers CBS 2016). Tellen we het inwonertal van de steden hierbij op die in een provincie groter zijn dan de provinciale hoofdsteden – Almere (groter dan Lelystad), Eindhoven, Tilburg en Breda (groter dan Den Bosch) en Rotterdam (groter dan Den Haag) – dan wonen nog steeds maar 4,1 miljoen mensen in wat het CBS een grote stad noemt. En eigenlijk zouden Assen, Lelystad en Middelburg, die minder dan 100.000 inwoners tellen, daarvan weer afgetrokken moeten worden; het gaat om bijna 200.000 mensen, dus dan wordt het grotestedentotaal 3,9 miljoen. Op een bevolking van rond de 17 miljoen leeft dus nog geen kwart in grote steden volgens de CBS-definitie, ook niet na jaren van gemeentelijke fusies. De hamvraag is dan: zijn onze nationale gemiddelden vooral een weerspiegeling van die kwart of van de rest of van een andere grootheid? Op bepaalde punten zijn bijvoorbeeld de sociaal-economische verschillen tussen Amsterdam en Roozendaal gigantisch.

Achtuurjournaal

Wat weten we van deze mensen buiten de grote steden dankzij het nieuws, meer speciaal het NOS-Journaal van 20.00 uur, op prime time, wanneer rond de 1,5 tot 3,5 miljoen kijkers zich de nieuwsselectie van een redactie in Hilversum laten voorschotelen? Als we het eens zijn dat sommige bevolkingsgroepen heel erg aangewezen zijn voor hun inkomen en geluk op de globalisering en andere niet (zoals alle autochtone snackbars in uw stadje), dan zouden we daar meer over moeten weten om politiek beleid dienovereenkomstig te differentiëren.

Voor de objectiviteit heb ik de nieuwsitems geteld van het achtuurjournaal in oktober 2013 en oktober 2015 (met dank aan zoeken.beeldengeluid.nl). Het zijn twee willekeurig gekozen maanden.

In oktober 2013 behandelde het achtuurjournaal 308 onderwerpen. Hiervan gingen er 131 over iets in andere landen en internationale onderwerpen (ruim 42%), 68 over lokale en regionale onderwerpen (22%) en de rest over Nederland, Haagse politiek, Nederlandse sporters en nog wat varia.

Het beeld dat ontstaat in oktober 2015 is niet zo verschillend. Van de 353 behandelde onderwerpen gingen er 129 over andere landen en internationale onderwerpen (ruim 36%) en 81 over lokale en regionale issues en gebeurtenissen (bijna 23%; 20 van de 81 items hadden te maken met de huisvesting van asielzoekercentra).

In beide maanden was ruim 30% van het lokale en regionale nieuws gewijd aan misdaden, branden en verkeersongelukken (dat viel mee naar mijn gevoel). Rotterdam en Amsterdam eisten in oktober 2013 bijna 20% van de aandacht voor het lokale nieuws voor zich op, in oktober 2015 nog geen 5%.

Eén conclusie die je veilig uit dit alles kunt trekken, is dat het achtuurjournaal tamelijk fors op het buitenland georiënteerd is en dat lijkt wel degelijk een effect van het lidmaatschap van de EU, NAVO, VN en andere vormen van globalisering – nog afgezien van het feit dat het journaal een duur uitgebreid correspondennetwerk deelt met andere Nederlandse media, dat dus geëxploiteerd moet worden en beeldminuten moet produceren.

Dat een kijker in die twee maanden gemiddeld elke dag minstens één keer na 20.00 uur een regionaal of lokaal onderwerp te zien kreeg dat niet over brand, misdaad of verkeersongelukken ging, wil niet zeggen dat een groot deel van de bevolking voortdurend buiten beeld blijft. De nationale nieuwsitems van het achtuurjournaal over ons kleine, compacte land zijn bijna altijd voor iedere plek van belang (alsof we één grote wereldmetropool zijn). Dankzij rapporten, statistieken en onderzoeken van derden waaraan het achtuurjournaal aandacht besteedt, komt de hele bevolking aan bod, alsmede natuurlijk door de aandacht voor Haagse politiek die iedereen treft. Maar nogmaals: verborgen achter de nationale gemiddelden kunnen grote regionale en lokale verschillen schuilgaan.

Opvallend is dat de journaalredactie zijn figuranten en décors, die een item visueel kunnen illustreren, heel geregeld buiten de grote steden zoekt. (Het lijkt wel of ze een kaart hanteren. Vandalisme op scholen? Waalwijk! Harlingen! Daar zijn we nog nooit geweest. Ga ’s bellen.)

Wat mensen opsteken van het achtuurjournaal, is uiteraard maar een fractie van het informatieve aanbod waaraan ze tijd besteden. Maar ik zou niet graag een representatieve 2500 mensen in heel Nederland op straat interviewen om te vragen waar Kampen, Geldrop en Terneuzen liggen. Ik zelf moest bij een self-check afhaken (‘weet niet’) bij praktisch alle kleinere Nederlandse gemeenten met minder dan zo’n 10.000 inwoners, zelfs die in mijn eigen provincie.

Verder moet gezegd moet worden dat zelfs trouwe kijkers en luisteraars van regionale omroepen toch ook zelden iets horen of zien over beleid van gemeenten en provincies, tenzij een conflict of kritiek van groepen met een neus voor publiciteit de regioredacties blijkbaar attendeert op ‘een kwestie’. Willen gemeentebesturen nog wel eens voor nieuws zorgen, mijn indruk is dat provinciaal bestuur uitgerekend bij de regionale omroepen bijna totaal onzichtbaar is, ondanks ferme overheidstaken waaraan de provincies miljarden uitgeven. Regionieuws is bijna apolitiek te noemen. Zijn die omroepen bang voor hun subsidies? Vermijden ze heikele onderwerpen daarom? Hoogstwaarschijnlijk niet: de provincies zijn voor iedereen de onzichtbaarste bestuurslaag in Nederland*. Maar als regionale media geen ‘voorwerk’ doen waarvan de nationale gebruik kunnen maken, dan komt lokaal en regionaal nieuws er uiteraard nog bekaaider van af op nationaal niveau bij het achtuurjournaal dan al het geval is door de nadruk op buitenlands nieuws.

De vormgeving van lokaal nieuws in een nationaal nieuwsbulletin

Ik hoor het Rob Trip of Annechien Steenhuizen gemakkelijk zeggen:

“En er zijn meer gemeenten die last van deze EU-wetgeving hebben.”

“Maar, dit probleem als gevolg van Chinezen die grote lappen weidegrond opkopen, beperkt zich niet tot Drenthe.”

“Niet alleen de Annawijk in Helmond voelt zich het afvalputje van de gemeente als het om huisvesting van mensen met geestelijke problemen gaat. Twintig van dit soort mensen in één straat is zelfs de realiteit in Helmond. Op meer plekken in Nederland …”

Maar hoe vaak horen we dat?

Je kunt niet van het achtuurjournaal verwachten dat de redactie naar aanleiding van een bericht over één gemeente of provincie telkens gaat wroeten of het probleem ook niet elders bestaat. Maar er is vaak genoeg alle aanleiding toe. Met een abonnement op regionale dagbladen en vakwebsites zoals boerderij.nl zou Hilversum al een heel eind in de richting van betere insluiting van de lokale en regionale wereld komen. Dan maar wat minder overstromingen in Guatemala, geen jongen die een politieagent neerschiet in Australië en niet meer vijftig voorbeschouwingen over het Brexit-referendum of de kansen van Hillary Clinton.

Economisch vocabulaire

Maar wat moeten de journalisten bedenken om de economische verhoudingen in kleinere steden en de dorpen te benoemen voorzover die weinig of niets met globalisering te maken hebben? Nonurbane economie? Kleinstedelijke economie? Senioren-kapitalisme?

Waarom is het verdwijnen van een postkantoor, de lagere school, de bakker, de buurtsuper, de lokale kroeg en het politiebureau elke keer weer “onvermijdelijk” bijvoorbeeld, zelfs als de bevolking constant blijft? Ligt het aan de massale introductie van de personenauto? Aan eindeloze besparingen bij PostNL? Aan steeds minder geld voor politie en justitie vanuit Den Haag? Aan het denken over kostenbesparingen door schaalvergroting? Aan het gebrek aan een beetje democratisch overleg over dergelijke besluiten? Misschien hadden het bankfiliaal, het postkantoor, de lagere school en het politiebureau in één gebouw kunnen gaan zitten en voor een deel op vrijwilligers kunnen draaien? Ligt het aan mensen die geen genoegen meer nemen met het soort salarissen dat in een buurtsuper of bakkerij verdiend kan worden? Is het rookverbod de plaatselijke kroeg fataal geworden? Liggen al die sluitingen aan de bewoners die te weinig loyaliteit tonen of misschien niet snappen dat boodschappen doen bij de supermarkt 20 km verderop de winstmarges van lokale winkels in de gevarenzone brengt en dat ze dat zal opbreken als ze straks oud zijn en te bijziend om nog auto te mogen rijden, zelfs geen ebike? Ligt het aan de erfgenamen van de stokoude eigenaresse van de buurtsuper, die maar één gedachte hebben: na haar overlijden het pand zo snel mogelijk verkopen aan mensen die er een woonhuis van maken?

Kloppen bestemmingsplannen nog wel met de werkelijkheid? Wordt er door besturen van kleine gemeenten te weinig nagedacht over de toekomst? Zijn ze ultraliberaal of voorbeelden van wel erg ver doorgeschoten laissez-faire? Moet de burgemeester er voortaan gekozen worden? Rivaliseren kleine gemeenten nabij een grote stad met elkaar waar ze meer zouden moeten samenwerken?

Zou het internet de mensen op hun plek kunnen houden (bezorging aan huis, internetbankieren, afstandsonderwijs)? Of is de voor West-Europa voorspelde bevolkingskrimp al lang begonnen in onze buitengewesten en kan dat gewoon niet gekeerd worden? Moet Zeeland ook zijn eigen universiteit krijgen?

Hoe noemen we dorpen en steden zoals in Frankrijk die opnieuw bloeien omdat de vertrokken jongeren getrouwd uit de universiteitssteden terugkeren om hun kinderen goedkoper in een groene omgeving te laten opgroeien, niet ver van het (online) bedrijf van papa en mama? Had u er al van gehoord? Kunnen lokale besturen terugkeer stimuleren? Werken dorpsbewoners een beetje mee aan het succes van mensen die zich in hun midden willen vestigen? Komen ze wel naar de opening van een nieuwe bed&breakfast? Kunnen dorpen en stadjes steeds dommer worden als gevolg van de uittocht van de slimste scholieren?

Komt er nooit een einde aan de urbanisatie? Hoe wordt gerechtvaardigd dat de overheden in Nederland 3,5 keer zoveel geld uitgeven aan een Amsterdammer dan aan een bewoner van Hilvarenbeek? Omdat de Amsterdammer geacht werd een Noord-Zuidlijn metro nodig te hebben en je in Hilvarenbeek nog gemakkelijk per paard op je bestemming zou kunnen arriveren? (zie http://www.volkskrant.nl/kijkverder/VK080314GemeentelijkeGeldzaken/index.html) Krijgt een arm dorpskind veel minder financiële steun dan een Amsterdams minder bedeeld jongetje?

Hebben wij in Nederland ook last van vergeten besluiten zoals in Italië waar in de jaren ’80 de verdeling van rechtbanken over het land nog gebaseerd was op volkstellingen uit de tijd van Napoleon? Waarom zijn de problemen van grensarbeiders nog steeds niet opgelost? Hoe staat het met mensenrechten, gelijke behandeling? Hoe ver mag een familie moeten reizen naar de dichtstbijzijnde gevangenis waar een bloedverwant zit opgesloten?

Toch wel een beetje raar dat ik echt het antwoord niet weet op al die vragen.

3. Brexit-mythes

De analyse van Patrick van IJzendoorn, correspondent van de Volkskrant, gepubliceerd kort na het Brexit-referendum, liet goed zien hoe journalisten van mainstream media de plank kunnen misslaan. Het artikel opent met een zin die de klaarblijkelijke verbijstering van velen moest weergeven: ‘Hoe heeft dit kunnen gebeuren?’ Waarna de correspondent de schuldigen opsomt: ‘Bolton, Broxbourne en Basildon. Sunderland, Stoke en Southport.’ Kortom stadjes waarvan ook de Volkskrantlezer nog nooit gehoord heeft.

De correspondent schrijft verderop dat door het referendum ‘de kloof is blootgelegd tussen Londen en de rest van Engeland’. Dat klopt niet. Van noord tot zuid hebben alle grote steden in Groot-Brittannië, met uitzondering van Birmingham, voor in de EU blijven gestemd, soms met een kleine, soms met een forse marge.

Als uit de kleine marge op het niveau van Engeland (dus het VK minus Noord-Ierland, Schotland en Wales, de drie onengelse gebieden die alledrie erg pro EU waren) met zekerheid iets afgeleid kan worden, dan is het wel dat de bevolking buiten de grote steden behoorlijk solidair voor een Brexit gestemd moet hebben. Volgens de correspondent is de verdeeldheid juist groter dan ooit: er zou ook een kloof zijn tussen ‘hoogopgeleiden (pro EU) en laagopgeleiden’, tussen jongeren (pro EU) en ouderen, tussen ‘de gegoede burgerij (pro-EU) en de lagere klassen’, ‘ja zelfs tussen vrouwen (pro-EU) en mannen’. Even aangenomen dat de bevolking in de stadjes ook uit die bevolkingsgroepen bestaat en dat daar soms wel driekwart voor uittreding heeft gestemd, moeten die tegenstellingen daar dus veel minder spelen. Ook had de correspondent wel mogen vermelden dat slechts een derde van de jongeren is gaan stemmen.

De correspondent voegt dus een verklaring toe: er zou sprake zijn geweest van een samengaan van conservatieven en arbeiders, ‘een explosieve mix’. Die conservatieven, erg gehecht volgens Van IJzendoorn aan hun eeuwenoude Britse instituties, zijn bang voor een ‘Europese superstaat’. Wat de arbeiders mankeert, vermeldt hij niet, maar ‘plekken waar ooit de Industriële Revolutie heeft plaatsgevonden’ zijn nu ‘gebieden waar immigratie minder voordelen heeft gebracht dan in de hoofdstad’. Die ‘plekken’ zijn volgens mij grosso modo de grote steden van nu, die uiteraard in de 19e eeuw verbonden waren met de havens, de andere grote steden van nu. Maar daar heeft de meerderheid dus tegen een Brexit gestemd.

tip:

Het wordt misschien eens tijd de aantrekkingskracht van het programma Boer zoekt vrouw te analyseren, omdat een van de uitzendingen in 2015 aan kop ging met een kijkcijfer van 4,6 miljoen (en in 2010 al eens 5,8 miljoen), een cijfer vergelijkbaar met internationale voetbalkampioenschappen. Wat gebeurt daar in de hearts and minds? Een schitterend scriptieonderwerp, met veel fun onderweg en al schrijvende.

* Zie bijvoorbeeld de bundel opstellen Het Onzichtbare Bestuur – Over provincies, stadsprovincies en regionale vraagstukken.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s