WAT IK NIET WIL VERGETEN – Paolo Giordano

Ik moest dit boekje recenseren. Het is een ontroerende, intelligente tekst. Ik geef hier eerst mijn heel korte recensie en daarna veel citaten uit dit bewonderenswaardige boekje. Wat wil hij niet vergeten: bijvoorbeeld hoe de Italianen zich in het begin zo goed aan de maatregelen hielden en elkaar toezongen vanaf hun balkons, maar ook de legertrucks om de doden bij de ziekenhuizen in Bergamo op te halen.

Mijn recensie:

Vanaf het begin van de coronapandemie schreef de auteur een maandelijkse bijdrage voor het Italiaanse dagblad Corriere della Sera. Hierin probeerde hij uit te leggen welke wiskunde eraan te pas komt om te begrijpen hoe de pandemie zich ontwikkelt. De andere persoon die ook de auteur aan het worden is, reflecteert op wat lockdowns en andere maatregelen werkelijk opleveren, wat ze met hemzelf en zijn landgenoten doen, geestelijk, sociaal, fysiek. Hij bekritiseert de communicatie van de overheid met de burger en die van de experts in televisietalkshows, want men weet niet om te gaan met het feit dat de pandemie overal ter wereld, ook door de globalisering, vrijwel hetzelfde verloop kent, niettemin complex is, en zo radicaal nieuw dat mensen de ‘ondenkbare’ situatie maar moeilijk accepteren. Al in november 2020 concludeert hij dat de bereidwilligheid zich aan beperkende maatregelen te houden niet lang meer zal standhouden. Hem verbaast dat niet na decennia van ‘ondermijning van elke deskundigheid’. Hoe dan ook, de nationale, regionale en lokale overheden reageren vrijwel altijd te laat.

Het boekj laat goed ons voortschrijdend inzicht in alle aspecten van de pandemie zien. Persoonlijke ervaringen, Italiaanse details en wat er gebeurt in de wereld staan prachtig verwoord naast elkaar

De auteur brak ooit ook in NL door met de roman De eenzaamheid van de priemgetallen.

CITATEN

Onze moeite om te accepteren dat er iets aan de hand is wat radicaal nieuw is, dat ‘ongewoon’ is, is nog zo’n diep menselijk trekje van ons. Een vorm van afkeer van het onverwachte, het verwarrende en vooral het complexe.

Het point of no return is alleen te herkennen als je er voorbij bent, dus als het te laat is. In februari (2020) passeerden we het, zonder iets in de gaten te hebben, ruim voordat we beseften dat het virus onder ons was.

‘Als je wacht tot ‘de mensen’ het gevaar echt voelen, dan is het dus heel, heel erg laat… het opofferen van de eigen populariteit (bij politici) is helaas absoluut nodig voor de goede zaak.’

‘… ik zeg de laatste weken vaker ‘wij’ dan ‘ik’. Weken waarin zelfs mijn dromen niet meer helemaal van mij alleen waren, ze waren ‘van ons’, nachtelijke overvallen op ons collectieve onbewuste.’

Langste tijd ooit dat ik me niet heb bezig gehouden met fictie, maar met handen en voeten in de modder van de werkelijkheid stond … de details van mensenlevens ontgingen me, alsof er niet de goede glazen in mijn bril zaten.

25-2-20: Een van de geheimen van de wiskunde is om niet al te subtiel te werk te gaan, en de wiskunde van het coronavirus verdeelt de bevolking, ons allemaal, grofweg – in het Engels – in de Susceptibles (S), de vatbare personen die besmet kunnen worden; de Infectious (I), degenen die al besmet zijn; en de Recovered (R), degenen die al besmet zijn geweest, het hebben overleefd en het virus niet meer overdragen. Ieder van ons weet meteen in welke categorie hij valt. Samen vormen de initialen van de categorieën de naam van het model waar epidemiologen zich deze weken op beroepen als op een orakel: het SIR-model. Klaar.

Maar op dit moment is er geen enkel bewijs dat het coronavirus een autonome seizoenspiek bereikt om vervolgens weer af te nemen, zoals gewone seizoensgriepen. Wat de besmettingspiek betreft: er zijn mensen die zich hebben laten misleiden door het nieuws dat die in China alweer voorbij is. En dat dat bij ons ook snel zo zal zijn. Het is de verkeerde interpretatie van een gegeven. Het zou correcter zijn om te zeggen dat ‘een’ piek, de eerste, in China is bereikt en nu voorbij is. En dat is nou net volledig te danken aan de extreem beperkende maatregelen die China heeft getroffen. (Maar er komen dus nieuwe pieken, nieuwe golven)

David Quammen heeft het over wat er in 2003 gebeurde met Sars. Zijn boek Spillover van jaren geleden voorspelde wat we nu beleven.

We waren voortdurend te laat, vanaf het moment dat we over de eerste brandhaard in Hubei hoorden.

En zo ontpopt de wetenschap zich weer als wat ze is: een rem op ons genot.

Doodmoe van het gevraag om geruststelling hebben vele wetenschappers uiteindelijk gezegd wat de mensen wilden horen: ‘ja, het vaccin komt eraan’, j’a die behandeling werkt geweldig’, ‘ja het virus is zwakker dan in het begin’, ‘ja het mooie weer gaat helpen’., Ja alles komt goed.

James Hillman: ‘Het vermogen tot normalisering zal ook een overlevingsfactor zijn voor de mens… maar wat als dat op de lange duur een van zijn schadelijkste gebreken blijkt te zijn. Wat is dan het verschil tussen normalisering en ontkenning, moedwillige onbewustheid, onwetendheid, psychische afstomping?’ Als je alles accepteert, leidt dat dan niet tot alles maar goedvinden?

Mensen zijn gewend om binair te denken: ‘acute crisis of geen crisis, huisarrest of ongelimiteerde vrijheid, terwijl iets er tussenin de juiste houding zou zijn. Alert zijn, maar niet gealarmeerd, ontspannen maar wel op je hoede…’

Ook bipolair denken: ‘noodsituatie of niks aan de hand, open of dicht, straf of redding. Dood of wedergeboorte.’

Principes van beleid

centralisatie: niet elke stad of regio voor zich

granulariteit – soms lokaal of per sector de dingen anders doen, geen one size fits all

automatismen – van tevoren kritische drempels en indicatoren vaststellen, niet telkens weer discussie

data – zo veel mogelijk data verzamelen, we laten veel te veel liggen

transparantie – hoeveel contactonderzoekers zijn er aangenomen, waarop is de testcapaciteit gebaseerd etc. etc.

begeleiding – geen gezever in talkshows, we hebben één gezaghebbende stem van de overheid nodig

betrokkenheid – begrijp de verwarring en wanhoop soms van de mensen, ze snappen heus wel wanneer iets een rationele belissing is

In de herfst van 2020 schrijft hij: “er bestaat nog een zekere marge van bereidwilligheid maar niet lang meer. Als we die kwijt zijn, zijn we alles kwijt.”

In het ziekenhuis … ze werken keihard; en ze moeten elke dag zoveel verdrietig nieuws aan zoveel mensen brengen… we hebben alles aan hen gedelegeerd.

Het ondenkbare is de belangrijkste eigenschap van het tijdperk dat voor ons ligt

De waarheden die aan het licht kwamen zullen verdwijnen zodra alles weer ‘normaal’ wordt

Voorbeeld van Xyella bacterie die in 2020 olijvenbomen begon te doden. Politiek proces verloopt precies even stompzinnig… domme milieubeweging ook tegen omhakken van de bomen.

Vaccins weigeren is vaak …. een uiting van het weigeren van het systeem, van een bepaald soort gevestigde orde die als onderdrukkend en onwettig wordt ervaren. Het lichaam wordt gezien als het laatste bolwerk waarop het systeem geen inbreuk kan maken, waar het geen enkele vorm van controle over heeft.”

Twijfels en reserves moeten worden gerespecteerd. Goed luisteren en overtuigen… maar niet onze tijd verdoen aan overtuigen felle antivaxxers, hebben we geen tijd voor.

Wetenschappers weten dat ze het meeste niet weten.

Tripelpunt: in de natuurkunde het punt waarop water zowel gas, vloeibaar en vast is… het is een metafoor voor de toestand waarin wetenschap, politiek en communicatie in harmonie met elkaar kunnen bestaan.

Farewell to Gabo and Mercedes

Rodrigo Garcia. A Farewell to Gabo and Mercedes

In the last years of his life, Gabriel García Márquez, began dementing and in the beginning he was aware of that. His son Rodrigo was with him in his last weeks and tells the story of his death and of his wife Mercedes. I present here a few quotes from the book that I found interesting or touching.

(GABO = Gabriel García Márquez)

Gabo, in his late sixties said: “You wake up one day and you’re old. Just like that, with no warning. It’s stunning. I heard years ago that there comes a time in the life of a writer when you are no longer able to write a long work of fiction. The head can no longer hold the vast architecture or navigate the perilous crossing of a lengthy novel. It’s true. I can feel it now.”

There was a past when conversation was as natural to him as breathing. Creative, funny, evocative, provocative conversation. Being a great conversador was almost as highly regarded among his oldest group of friends as being a good writer.

He would say, “I work with my memory. Memory is my tool and my raw material. I cannot work without it. Help me,” and then he would repeat it in one form or another multiple times an hour for half an afternoon. It was grueling. That eventually passed. He regained some tranquility and would sometimes say, “I’m losing my memory, but fortunately I forget that I’m losing it,” or “Everyone treats me like I’m a child. It’s good that I like it.”

After he is installed in the … bed, my father’s first words, delivered through a raspy whisper and hard to make out, are “I want to go home.” My mother explains that he is home. He looks around with something like disappointment, apparently recognizing nothing. He takes his right hand up shakily to his face in a gesture that is very much his. The hand lands on the forehead and then slides down very slowly over the eyes, closing them shut. A frown and tightly pursed lips round it out. It’s a gesture that he uses as a sign of exhaustion or concentration or when he is overwhelmed by something he just heard, usually something to do with a person’s hardship.

He once said, “Nothing interesting happened to me after the age of eight.” That’s how old he was when he moved away from his grandparents’ house, the town of Aracataca, and the world that inspired his early writing. His first few books, he admitted, were trial runs for One Hundred Years of Solitude.

He reminded us (and himself) several times over the years that neither Tolstoy, Proust, or Borges ever won the Nobel Prize, nor did three of his favorite writers: Virginia Woolf, Juan Rulfo, and Graham Greene. Often it seemed to him that his success was not something he had achieved but something that had happened to him. Up until late in life, as his memory was fading, he never reread his books for fear that he would find them embarrassingly wanting and that it would paralyze him creatively.

Hunger: <During> his time in Paris, an afternoon he visited a woman and tried to extend the visit so as to be asked for dinner, since he was broke and hadn’t eaten in days. After that failed, rummaging through her garbage on the way out and eating out of it.

About the novel One Hundred Years of Solitude: he had enough material for two more generations. He decided not to include it for fear the novel would be too long and tiresome. He thought great discipline was one of the cornerstones of writing a novel, particularly when it came to framing the shape and limits of the tale. He disagreed with those who said it was a freer, and therefore easier, form than a screenplay or a short story. It was imperative, he argued, that the novelist draft his or her own rigorous road map in order to traverse what he referred to as “the treacherous terrain of a novel.”

My dad greatly admired and envied songwriters for their ability to say so much and so eloquently with so few words. While writing Love in the Time of Cholera, he submitted himself to a steady diet of Latin pop songs of love lost or unrequited. He said to me that the novel would be nowhere as melodramatic as many of those songs, but that he could learn much from them about the techniques with which they evoked feelings. He was never a snob about art forms and enjoyed the work of people as diverse as Béla Bartók and Richard Clayderman.

“If you can live without writing, don’t write,” he often said… “There is nothing better than something well written.”

Opiniepeilingen zeggen weinig over de werkelijkheid

Bij het opruimen van mijn archief vond ik dan eindelijk een artikel dat ik lang geleden voor de Volkskrant schreef, toen ik nog als freelancer toegang had tot diverse pagina’s, zoals de pagina Forum voor opiniestukken en de bijlage Het Vervolg.

Dit artikel is van 20 december 1996. De redactie had het wat ingekort en er een nieuwe titel voor bedacht: ‘Opiniepeiling zegt niets over werkelijkheid’. Dat was wel een beetje overdreven.

De oorspronkelijke titel was:

De barometers van de zwijgende meerderheid

Ik denk dat het stuk nog steeds actueel is, hoewel ik het schreef in de jeugdjaren van de opiniepeiling. Niemand wist toen nog wat het internet zou brengen. Je kunt nu niet meer zeggen, zoals in de jaren ’50 en ’60 wel het geval was, dat ‘de publieke opinie’ toch vooral een verlengstuk is van opinies van politieke massapartijen. Er zijn veel meer spelers met stevige opinies bij gekomen en sommige partijen hebben nog maar weinig opinies of zijn windvanen die geregeld van mening veranderen, zelfs over halszaken.

Tekst (van toen ik 25 jaar jonger was, 41 jaar oud)

Bijna elke week zijn in de media de uitslagen van verscheidene opiniepeilingen te lezen. De Nederlanders vinden de werkloosheid het grootste probleem of de jeugd blijkt grotendeels negatief over Duitsers te denken. Mannen moeten meer in het huishouden doen.

Het lijkt erop dat overheden en bedrijfsleven hebben leren leven met de publieke opinie zoals hun voorouders met massademonstraties, stakingen en opruiende socialistische ideeën. Maar wat is de publieke opinie? Als je in Nederland mensen op straat die vraag zou stellen, zou je vermoedelijk ten antwoord krijgen: de publieke opinie is wat u en ik denken.

Maar overheden, bedrijven en tal van instellingen verstaan tegenwoordig heel wat anders onder ‘publieke opinie’: namelijk wat de media van de dingen denken en wat de opiniepeilingen zeggen.

Was het nog geen twintig jaar geleden zo dat men voor een opinie te rade ging bij vertegenwoordigende lichamen en andere intermediairen die wisten of meenden te weten wat er onder de mensen leefde, aan het eind van deze eeuw leven we in de Polaroid-staat: steeds vaker leveren opiniepeilers op verzoek een momentopname van ‘de’ publieke opinie.

Het lijkt op zuivere zuurstof voor een kwakkelende democratie. Radio, televisie en pers brengen de uitslagen van enquêtes als serieus nieuws, als het gelijk van de meerderheid dat verantwoordelijken niet kunnen of niet zouden mogen negeren.

Door het inmiddels enorme aantal opiniepeilingen worden de bezwaren ertegen weggevaagd: geen journalist bestudeert nog of de vragen niet te suggestief waren, of de geënquêteerden op de hoogte waren waarvoor de opiniepeiling diende, of zij van tevoren geïnformeerd zijn en hoe. Dat zou dagen werk zijn, en dat voor iets wat het toch nooit verder schopt dan een paar honderd woorden op de voorpagina. Menig uitslag is dus per definitie nieuws. <p.s. Ook de representativiteit van opiniepeilingen en steekproeven wordt nog niet altijd gecheckt.>

Sterker nog: de journalist heeft er een nieuw wapen bij, en hij laat zelf opiniepeilingen uitvoeren, zoals De Telegraaf laatst deed aan de vooravond van de spoorwegstaking die niet doorging.

Vroeger kon de journalist wel kritiek leveren, maar dan kon er altijd gezegd worden: en wie denk je dat je bent? Onze Lieve Heer soms? Nu kan hij iets in naam van de meerderheid verklaren, soms zelfs uit naam van alle Nederlanders. Zijn status begint die van koningin Beatrix te benaderen.

Veel storender is dat de opiniepeiling suggereert te vertellen wat er onder de mensen leeft <p.s. terwijl zij soms wakker liggen van heel andere sociale of politieke problemen>, wat zij denken, wat zij zouden willen dat er gebeurt. Een opiniepeiling wekt de indruk exact, tot twee cijfers achter de komma, het gewicht van miljoenen individuele meningen weer te geven.

Maar, de opiniepeiling is gebaseerd op een illusie van gelijkheid van geënquêteerden. Die gelijkheid bestaat niet. Niet alleen doet de mening van de één er in werkelijkheid veel meer toe dan die van de ander, maar ook zijn de gepeilde per definitie de meningen van een niet-militant, passief, eigenlijk zwijgend deel van de bevolking.

‘Representatieve’ steekproeven zijn ertoe veroordeeld elke actieve minderheid uit de werkelijkheid weg te werken, evenals elke niet-gematigde oppositie, extremistische groeperingen en ook elke sociale beweging, hoe invloedrijk ook.

De opiniepeiling suggereert ook een doorzichtige samenleving die met de telefoon in de hand begrepen kan worden. Maar opiniepeilingen zijn geen spiegel van de maatschappij, waar de meningen in enkele weken kunnen omslaan, en honderdduizenden mensen op de been kunnen komen. Dat gebeurde bijvoorbeeld in België dankzij de alliantie tussen een handjevol onderzoeksrechters en een groepje ouders van vermoorde kinderen. <p.s. Voor wie toen nog niet geboren was: ik doel hier op de Witte Mars in Brussel op 20 oktober 1996 n.a.v. de affaire-Dutroux.>

Verbergt de opkomst van de opiniepeiling onze afkeer van openlijke confrontatie tussen allesomvattende wereldbeelden en leefvormen? Zo ja, dan moeten we beseffen dat het een slecht surrogaat is voor publiek debat. Opiniepeilingen hakken de werkelijkheid nu eens zus, dan weer zo in mootjes: naar leeftijd, naar provincie, naar inkomen, naar opleiding, naar nationaliteit.

Alleen wetenschappelijke interpretaties willen nog wel eens een groter verband waarnemen, tussen zeg een christelijke achtergrond en mening X, of de aanwezigheid van levendige herinneringen aan de crisisjaren en mening Y. Maar in de regel komen al die meningen nergens vandaan. Zo wordt onbegrijpelijk waarom de publieke opinie in korte tijd 180 graden kan draaien.

Ook maken opiniepeilingen zich schuldig aan een onhoudbare gelijkstelling van publieke opinie met de markt. Techniek en aanpak van opiniepeilingen lenen zonder met de ogen te knipperen alles van markt- en marketingonderzoek.

Vroeger maakten wetenschappers zich daar nog vrolijk over, maar nu tienduizenden burgers elke week gebeld worden met de vraag wat zij van biotechnologie dan wel luierreclame op tv vinden, is het niet meer leuk.

Eerst hadden we de illusie van de onzichtbare hand van de markt, die, intelligent, op den duur te dure, slechtgemaakte of ongewilde producten uit de markt zou drukken, en die bedrijven zou stimuleren exact datgene te fabriceren wat de markt wil.

Nu hebben we ook de stille kracht van de opiniepeiling. Ook de publieke opinie is ‘intelligent’, drukt – als het goed is – te dure, gevaarlijke of niet lekker liggende minderheidsopinies uit de markt en prest politici – als het goed is – datgene te fabriceren wat de publieke opinie wil.

De in opiniepeilingen vervatte publieke opinie corrigeert extreme ideeën, laat zien wat er werkelijk leeft, geeft aan wat de werkelijke prioriteiten van de politiek moeten zijn. Nobel, maar waarlijk een even idyllisch beeld als dat van perfect werkende ‘marktmechanismen’.

Welk compromis is er mogelijk tussen een voorkeur voor een nieuwe Mercedes en een vierdehands Renault? Geen enkel. Het is het een of het ander. Maar zulke keuzes lijken in de verste verte niet op besluiten waar men rekening met anderen houdt.

De gedachte dat de opiniepeiling de werkelijkheid beter weergeeft dan elke andere meetlat, heeft de roep versterkt om institutionalisering van de meestal nu nog door particulieren uitgevoerde opiniepeiling: het referendum is populairder dan ooit en dat ziet er in sommige landen al uit als het soort vragenlijst dat bij opiniepeilingen wordt gebruikt.

Zo moesten Italiaanse kiezers onlangs tijdens een referendum over de toekomst van de omroepwetgeving op tientallen vragen met ja of nee antwoorden. In België is tijdens de zaak-Dutroux het idee populair geworden dat 5.000 handtekeningen van burgers onder een wetsvoorstel voldoende moeten zijn om dat voorstel in het parlement behandeld te krijgen.

De burgers raken door de eindeloze reeks opiniepeilingen gewend aan het idee dat de representatieve democratie niet meer goed werkt, en dat er geen enkel sociaal of politiek filter meer nodig is.

Rustgevend is de gedachte dat een staand leger van opiniepeilers een typisch overgangsverschijnsel is van klassieke partijendemocratie naar wat anders, van vertegenwoordigende democratie naar een regeringsvorm die wat minder bang is voor de massa.

Maar voorlopig wordt de beter dan ooit geschoolde massa door het fenomeen van de opiniepeiling even hard van werkelijke deelname aan besluiten afgehouden als in de conservatieve democratie die vond en vindt dat regeren aan de deskundigen en beroepspolitici moet worden overgelaten.

Motherly advice from mama Madeleine Albright

Madeleine Albright, minister of Foreign Affairs during the regime of president Bill Clinton (1997-2001), wrote her seventh book: To hell and other destinations. These memoires cover the period 2001-2019 in which she created her own international company for political advice and became a board member of several American thinktanks, as well as in the international Center for Legal Empowerment of the Poor (CLEP) founded by the revolutionary Peruvian economist Hernando de Soto. She also joined the board of the New York Stock Exchange, but this institution didn’t suit her talents, she concluded after a while. In 2001 she accepted again a parttime job as university professor and would continue to do that for another twenty years.

All of this is, to say the least, not bad for a daughter of Czech refugees who fled the nazis. Divorced by her husband and freed from the care for her three daughters who had become succesful adults, she embarked on this new career with incredible energy, probably supported by a fitness training for which she still gets up around five in the morning, three days a week. She is now 83 years old.

I was a little shocked to read that an ex-minister of foreign affairs of the most disliked superpower in the world doesn’t enjoy any protection in her new daily life, walks the streets of Washington at night alone, is doing her own shopping, drives her own car. Perhaps it is thanks to the speed by which even a VIP as Albright is forgotten, that such a treatment has never led to assassination attempts but becomes food for funny anecdotes: once, waiting endlessly for a check of her bags, she yelled at a British customs officer “Do you know who I am?” He responded: “No, but we have doctors who can help you find out.”

Madam Secretary, the book that contained her memoires as the first American female Secretary of State, was an international bestseller but it is doubtful that this book will equal that success. Of course, she has some inside information and valuable judgments on offer, about her successors Colin Powell and Condaleezza Rice, and about various political events in those twenty years. She also remains the professor who will tell you interesting stories about American history and the feminist who supported for example Hillary Clinton’s campaign to become the USA’s first female president.

When it comes to her  thinking about international politics, however, the level, surprisingly, rarely exceeds that of average journalists, let alone well-informed diplomats, academics and actors in the field .She also leaves out entire patches of – unwelcome? – reality. Frequently, she comes up with advice, often moralistic, that could have been given by any ordinary citizen. It is painful to read her motherly advice such as the one concerning the war in Syria:  “World leaders should constantly try their best to identify problems and help to solve them before they get worse.” Instead of letting a foreign conflict develop to a stage that leaves an American president with only two options – sending troops or be bystander of genocide – “the most sensible thing is to invest in diplomatic means, including economic support, nonviolent mediation and support for political pluralism and human rights.” It was “absolutely impossible to unify the Syrian opposition” she writes, skipping the fact that the Syrian resistance was nonmilitary, broad and unified, until Gulf states, Russia, Iran,Turkey and western states began picking allies, turning an uprising into a proxies war.

2001 was the year of 9/11 attacks and she thinks that president George W. Bush and his government  should have focused solely on destroying Al-Qaeda, instead of invading Iraq too and removing Saddam’s regime –  a military operation made so much easier by the years-long crippling embargo against Iraq that she supported as US ambassador to the UN and as US Secretary of State and which had a similar aim. Albright has been haunted for years by a most  unfortunate remark she made in 1996, after American television broadcasted a reportage on the effect of the embargo on Iraqi children. Journalists claimed (incorrectly) over half a million children had died of hunger and lack of medical care. When Albright was asked if that horrendous number of deaths, “more than the number of kids killed in Hiroshima”, was “worth such a price”, she answered that she “found it a very difficult choice, but the price… we think it is worth the price.”  In her new book she describes how, later on, she was shunned by students who considered her a war criminal and anything but the role model Albright wants to be for the young.  She devotes four pages to defend the embargo, blaming Saddam for all its consequences and skipping the fact that her beloved United Nations Organization almost collapsed under the weight of the corruption caused in its ranks by the embargo’s oil-for-food program.

When she writes about the “disappointing” Arab Spring, she comes up again with motherly advice for the entire Middle East, suggesting there is two kind of humans there, the peace-loving individuals who would love to build a prosperous society and others who want to destroy their alleged enemies. “If you look at it that way, a forward-looking Palestinian teacher has a lot in common with the apolitical Syrian craftsman, an idealistic Iranian nurse, a Kurdish farmer who doesn’t interfere in the lives of others, a Saudi business woman or a kind Israeli soldier doing a basic army training. These people should be allies, not enemies, whatever their leaders say.” And whatever Washington says, I would add. But that would make her elderly women’s world too complex, I’m afraid.

Risky business: lying for the good of your country

Why leaders lie – the truth about lying in international politics is a small book of some one hundred pages of analysis and over thirty pages of notes. The text is probably so limited, despite a lot of research, because the author, professor John Mearsheimer, actually didn’t find a wealth of examples of states lying to other states. This shouldn’t surprise anyone, because most communication between states goes on in diplomatic circles, and there, confidentiality, discretion and secrecy are the norm, not the norms of public announcement or democratic debate.

          Nevertheless, as we all know, some states, or rather their leaders, have publicly lied sometimes to other states, enemies as well as allies.  All of them have usually been caught later, by journalists or historians, and their publications, documentaries and movies have now convinced half the world’s population, I estimate, that lying is so frequently used in international relations that it must be considered a modern habit. Actually, already some fourhundred years ago, a British diplomat remarked that an ambassador is “an honest man sent to lie abroad for the good of his country”.

Not commonplace

Mearsheimer disagrees. He does give dozens of examples of lying between states but he concludes that it is not commonplace at all, as the costs will usually outweigh the benefits. When the professor asked other scientists to provide him with examples they knew of, most of them immediately and enthusiastically promised feedback and then later on had to apologize, because, to their own surprise, their harvest was actually poor. Mearsheimer concludes that political leaders lie a lot more to their own people than to other states and that leaders in liberal democracies lie more often to their citizens – about their foreign policies and wars that is – than leaders in dictatorships!

          Mearsheimer is an American and from his  notes I gather that he doesn’t master any other language than English, so no Spanish, French or Russian, let alone Arabic, Swahili or Chinese. How much can you know, with this  limitation, about lying between the almost twohundred states on this planet and about their motives? Not so much, I’m afraid, especially as the revelation of secrets and inter-state lies by former foreign ministers, ambassadors, generals and high-ranking advisors usually happens in memoires and television interviews in local languages. I think that it is not a wild guess to assume that states with very different histories and social taboos, different political cultures and rules for leaders, as well as a different kind of nasty neighbours, also lie for different reasons to other states or their own people.

Obsessed with Iraq

Mearsheimer seems to think (inevitably?) that he can deduce universal truths about lying between states from mainly American and European examples of the past 150 years or so. The universality might be doubtful, but what Mearsheimer extracts from these limited examples is interesting enough. For Iraqi readers the book is especially informative, because the author is almost obsessed with the road to the last war in Iraq. Before the invasion of Iraq in 2003, as we can now know, so many lies were told in public by American president George W. Bush and his officials, that the selling of that “preventive war” will probably remain a classical case of how not to lie.  The author devotes around fifteen pages to the lies that preceded the toppling of Saddam’s regime. He says that people often don’t punish leaders for lies, unless the results are bad. He quotes approvingly Washington Post columnist Richard Cohen who wrote in 2005: “One could almost forgive president Bush for waging war under false or mistaken pretenses had a better, more democratic Middle East come out of it.”

Varieties of lying

There are different forms and degrees of  lying in relations between states. The degrees concern  lying as we understand it in daily life and “lying less”, which happens in the case of deception, bluffing, concealment and spinning (telling a story that emphasizes certain facts and links them together in ways to make a policy look positive, downplaying or ignoring inconvenient facts). The boundaries between these categories can be “murky” as Mearsheimer admits.

          Mearsheimer furthermore proposes a distinction between outright lies, fearmongering, strategic cover-ups (for example about military blunders and incompetent generals), nationalist mythmaking (for example a lie about past but nonexistent military victories to impress allies), liberal lies (for example a lie to suggest one’s government always respects the Geneva conventions), “social imperialism” (by which the professor means lies concerning a foreign policy “that will benefit a narrow slice of society, not the general welfare”) and last but not least “ignoble cover-ups”. These are lies for selfish reasons such as winning the next elections despite obvious failure to protect one’s country from harm.

In the national interest

Mearsheimer only discusses the first five kinds of falsehoods, lies “that are told in the service of the national interest”. Such lies are “strategically justified”, he explains, whether or not they achieved what they intended to accomplish. He repeats the old belief that states are rivals that live in an anarchic world, a world “without permanent allies” and without guarantees for nice behavior of other states, and he agrees that it might sometimes even “be the duty of a leader to lie”, to safeguard the interests of his country. Still, he warns, one finds very few international lies that have been “devastatingly effective”. Especially international lies that leaders tell their own citizens remain a super-risky business: “They are more likely to backfire and damage a state’s strategic position” and they might “corrupt political and social life at home, which can have many harmful consequences for daily life”.

Kinds of truths

In the 1940’s, the famous English novelist George Orwell already wrote: “The people are not always right”. This is a sad truth: one always wishes wisdom to be eternally available from certain sources, if only an ordinary neighbour, but that doesn’t exist in real life.  Orwell’s frank statement however wasn’t meant to justify manipulation of the people’s opinions and behaviors by lies and half-truths, on the contrary. His novel 1984, about a dictatorship devoted to mind-controlling techniques and, if these don’t work, repression, terror and assassinations, proves that beyond doubt. But what does a leader do with his own citizens if they are not right?

          Mearsheimer is convinced that “the common people invariably hunger for nationalist myths; they want to be told stories about the past in which they are portrayed as the white hats and opposing nations as the black hats. In effect, nationalist mythmaking is driven from below  as well as from above.” I am not so sure this holds true everywhere, not even in the United States: since the 1960s millions of American leftists belonging to the “common people” have villified their own country as imperialist, racist, genocidal, a fake democracy, a paradise for ruthless capitalists and worse.

          But whatever the common people’s ideas, Mearsheimer believes that leaders easily espouse the idea that there should be different truths for different publics. Hitler’s propaganda chief Joseph Goebbels was the first master of applying this concept in the election campaigns of the nazis who shamelessly offered contradictory messages for shopkeepers and bankers, catholic women and communist males, petty bureaucrats and freewheeling artists. But also in the United States the concept is routinely applied by left, liberal and rightwing groups. As  one of the American neoconservative intellectuals, Irving Kristol, put it: “There are different kinds of truth for different kinds of people. There are truths appropriate for children; truths that are appropriate for students;  truths that are appropriate for educated adults; and truths that are appropriate for highly educated adults. And the notion that there should be one set of truths available for everyone is a modern democratic fallacy. It doesn’t work.” Mearsheimer disagrees with this disrespectful approach: “Whenever leaders cannot sell a policy to their public in a rational-legal manner, there is a good chance that the problem is with the policy, not the audience,” he writes.

Predictable why’s

The  answers to the question of why leaders lie to other states, are almost completely predictable, it turns out. They lie because their country is at war and they need to deceive the enemy about their real intentions, time schedules for attack or military stategies; they need to conceal the real number of tanks or fighter jets they possess, they need to cover-up the incompetence of one of their generals or of their poorly trained recruits. In order to avoid war, or to avoid entering a war too soon, they will easily lie about honoring treaties, their respect for holy borders and their love for Peace, while they are setting up a first-class war machine. They bluff during international negociations, they lie at the table about the conditions that their great country absolutely wouldn’t be able to accept, they spread fear about what they will do if the others are not more flexible. They tell fairy tales to their allies to get their support or because they think their friends can’t keep a secret. They spread fear about weapons they don’t have or have no intention of using.

          In short: why leaders lie has nothing mysterious, it needs little imagination. Which means that it is better to lie as little as possible if one needs to avoid the breakdown of a conversation with enemies, allies, citizens or journalists.

          Throughout his book, Mearsheimer is generous with examples about the downsides, disadvantages, costs and great dangers of telling lies to other states and of lying about foreign policy to your own citizens. He devotes an entire chapter to backfiring and blowback of telling international lies, but it is not so concrete and filled with historical examples as the texts on deception, concealment, bluffing, spinning, mythmaking, fearmongering and cover-ups. Perhaps, after four years of Trump, the author will rewrite this chapter. About how lies can bring down even a superpower.

(this article was published in Arabic in the daily newspaper Al-sabah al-jadeed/newsabah.com, in 2018)

De meeste mensen deugen meestal

Nu Rutger Bregman zich in de politiek begeeft, wil ik waarschuwen voor wat witte plekken in zijn denken.

De meeste mensen deugen van Rutger Bregman dat vorig jaar de NS Publieksprijs won, vind ik een waardevol boek omdat het in een aanstekelijke stijl laat zien wie verantwoordelijk is voor het nogal schadelijke, negatieve mensbeeld dat zo veel mensen hebben, inclusief politici die over het uitvechten van wereldoorlogen gaan.

Tot die verantwoordelijken behoren intellectuelen die zonder zelfs maar een beetje historisch onderzoek van alles beweren; wetenschappers die hun menselijke proefkonijnen manipuleren om de gewenste uitslag van hun ‘experimenten’ te krijgen; filosofen, journalisten en romanschrijvers die last hebben van een ‘gemene-wereld-syndroom’; machtige mensen die het willen doen voorkomen dat slechte mensen door de staat in het gareel gehouden moeten worden; slimme leiders van vroegere beschavingen die de eigendom, het geld, het schrift en wetgeving uitvonden en zo over samenlevingen konden heersen waarin het gros van de mensen slaven waren; onderwijzers die racistische en soortgelijke ideeën doorgeven aan kinderen; volksmenners zoals de nazi’s die hun bevolking ‘voorgelogen en geïndoctrineerd, gehersenspoeld en gemanipuleerd hebben’.

Het lijkt me fijn om dat te weten, als je het nog niet wist. Maar dan nog moet en toch iedereen die drie grote witte vlekken in Bregmans boek zijn opgevallen.

Ten eerste missen we een verhaal over misdaad, dat wil zeggen, ordinaire, gewone misdaad, misdaad die veel voorkomt, van diefstal tot oplichting, van moord tot zinloos geweld, van vrouwenmishandeling tot incest en pedofilie, van ambtelijke willekeur tot massale corruptie. Elk mens heeft daarmee te maken, begrijpt het soms, soms niet. Het zijn misdaden die in het ene type samenleving veel beter gedijen dan in het andere, in de ene rechtsstaat door middel van wetgeving serieuzer genomen en afgestraft worden dan in andere, die soms al heel oud zijn en dan weer vrij recent en modern.

Een tweede groep ‘niet-deugende’ mensen die Bregman overslaat is die van medemensen die vreselijke dingen doen door hun hersenletsel, psychoses, neurologische aandoeningen, persoonlijke trauma’s of die van hun ouders of die van hun wijdere sociale omgeving, onder invloed van chemisch gif zoals alcohol of cocaïne en zelfs gewone suiker – met andere woorden mensen die feitelijk niet meer voor zichzelf kunnen instaan. Wie heeft er niet eens mee te maken? Het is zelfs een vast bestanddeel van onze rechtspraak dat bepaald moet worden of een persoon toerekeningsvatbaar is.

Een derde witte vlek wordt gevormd door al die mensen die ons bestaan, ons werk, ons gezinsleven of ons samenleven in de buurt behoorlijk kunnen verpesten: van de eeuwige pessimist en cynische onverschilligen tot mensen die hun woord niet houden en niet doen wat ze beloven, van jongeren die hun ouders uitmelken tot altijd chagrijnige en jammerende bejaarden, van pestkoppen tot roddelaars, van loverboys tot facebook-sletjes, van ondankbare immigranten tot autochtonen die de schuld voor hun ellende altijd bij anderen leggen, van hypocrieten en moraalridders tot luie, wegkijkende politici die beweren dat de samenleving niet maakbaar is of gewoonweg te complex voor stevige maatregelen.

Ik vroeg me af waarom Bregman aan die drie groepen geen aandacht besteedt – en misschien is er zelfs een vierde groep die ik nog niet heb benoemd…

Het is één ding om te demonstreren zoals Bregman doet dat mensen in allerlei situaties prettig sociaal reageren en niet de egoïstische monsters zijn die sommige religieuze leiders, intellectuelen, historici en academici ervan gemaakt hebben, maar het is iets anders om met de teleurstellingen en verbijsterende feiten van ons alledaagse leven om te gaan.

Waarom vermoordt een volstrekt ‘normale’ vrouw haar pasgeboren baby? (zie La barbarie des hommes ordinaires van Daniel Zagury). Hoe kon de vader van schrijfster Manon Uphoff jarenlang zijn dochters seksueel misbruiken? (zie haar roman Vallen is als vliegen) Waarom wilde mijn buurman zijn moeder in stukken snijden en als stoofpotje bereiden? (zie L’homme qui voulait cuisiner sa mère van Magali Bondon-Bruzel) Waarom bedriegt iemand zijn beste vriend of broer of de liefde van haar leven? (zie de recente biografie van bokser Rudi Lubbers – de man die bleef staan van Johan van Ierland) Wie zijn die kinderverkrachters die er ook na hun veroordeling prat op gaan hoe slim ze de toegang regelden tot hun prooien? (zie Predators van Anna Salters).

Het lijkt me toch wel bezwaarlijk wanneer de auteur van een boek met de titel De meeste mensen deugen aan al deze ellende geen aandacht besteedt. Misschien is de titel te vaag, want tja, wat zijn ‘de meeste’? In ieder geval meer dan de helft zou je als brave democraat zeggen, maar dan nog zouden de overige 49 procent of 21 procent geweldige schade kunnen aanrichten.

Dit is slecht nieuws voor Bregman die enkele inderdaad lovenswaardige en navolgingswaardige initiatieven beschrijft op het gebied van onderwijs, de zorg, politieke participatie, straffen in gevangenissen en wat we vroeger arbeiderszelfbestuur noemden. Maar daarmee is hij overduidelijk niet af van die grote groep zeer diverse individuen die op een enkel moment in hun leven niet deugen, die altijd niet deugen, die niet deugen willen, niet deugen kunnen, die geen idee hebben wat het inhoudt, die zichzelf zonder hulp niet kunnen verbeteren, die je niet (snel) kunt corrigeren, heropvoeden, psychiatrisch ‘behandelen’ – of kunt overhalen het boek van Bregman te lezen, als ze al tot begrijpend lezen van dit soort teksten in staat zijn of simpelweg niet te dom om voor de duvel te dansen.

Ik vind het ook jammer dat die mensen bestaan, tot wie ik ook zou kunnen behoren als ik maar voldoende pech had gehad in het leven, door mijn genen, mijn verblijf in een problematische baarmoeder, mijn ouders en onderwijzers, mijn geboorteland, mijn nationaliteit, incidenten en ongelukken, verkeerde ‘medicijnen’, bekrompen werkgevers, foute vrienden en wat niet al. Ik ben, kan ik rustig bekennen, soms op weg geweest naar een verkeerde afslag in mijn leven.

Maar die niet-deugende mensen die het zo ingewikkeld maken, deze kleine of grote minderheid wegdenken, dat zou toch heel asociaal zijn, wat Bregman wil dat we juist niet zijn. Ik wacht dus op zijn volgende boek.

Raar optimisme: Binnen enkele jaren is diabetes de wereld uit

De Franse musicus Bertrand Burgalat schreef een ontroerend en onthullend boek over suikerziekte, Diabétiquement votre, moeilijk te vertalen titel, ongeveer: Ik als diabeet, geheel de uwe.
Zelf kreeg hij als elfjarige de diagnose ‘diabetes 1’, na een concert van Pink Floyd te hebben bijgewoond in het Franse Colmar waarna hij zeker wist: dat wil ik ook, samen met een band popmuziek maken. En uiteindelijk deed hij dat ook.

Het is een boek over pijn en nodeloze doden. Burgalat dacht dat iemand anders op een goeie dag wel zo’n boek zou schrijven, maar niemand deed het.

Ook in Nederland vind je uitsluitend boeken (voor zover ik op bol.com kan zien) over hoe je van diabetes type 2 kunt afkomen door een dieet en afvallen, hoe je ‘normaal’ kunt leven met diabetes, hoe je er honderd mee kunt worden. Voor een deel leugens die de schuld van problemen helemaal bij de patiënt en zijn naaste omgeving leggen als dat niet lukt.

Jongeren met diabetes 1 merken dat alle discipline van de wereld niet helpt om crisissituaties te voorkomen. Ze geven het op, krijgen te horen dat ze dan niet ouder dan dertig zullen worden, lopen soms weg van school, doen alles wat verboden was.

Toen Burgalat jong was, gold het dogma: kinderen met diabetes 1 moeten zo ‘normaal’ mogelijk eten. God weet hoeveel kinderen daardoor zijn overleden want dat moesten die kinderen juist niet doen.

Burgalat, geboren in 1963, leeft nog steeds, na een reeks ziekenhuisopnames, coma’s, bijna-blindheid, talloze vernederingen door artsen, onbegrip van collega’s en fans, zelfmoordfantasieën en een Franse gezondheidszorg die vaak naar de pijpen danst van farmaceuten en producenten van injectiespuiten en andere gadgets voor diabetici (soms heus wel nuttig).

Bijna alles wordt tegenwoordig vergoed door ziektekostenverzekeringen, er wordt gezocht naar nieuwe geneesmiddelen, er komen nieuwe technologieën beschikbaar – maar we zijn in een halve eeuw weinig wijzer geworden over de oorzaak van diabetes 1 (de pancreas of alvleesklier houdt er helemaal en permanent mee op insuline te produceren) of de oorzaak van diabetes 2 (de pancreas produceert onvoldoende insuline), aldus de vele deskundo’s die Burgalat geraadpleegd heeft. Burgalat kreeg diabetes 1 na een inenting tegen pokken ‘maar terwijl niemand weet wat diabetes 1 veroorzaakt, wist iedereen zeker dat het niet een vaccin was’. Toch is hij niet anti-vaccin-fanaat geworden.

Waarom oorzaken zoeken als diabetes zo’n winstgevende industrie oplevert? Historici vertellen ons dat diabetes al meer dan vierduizend jaar een bekende aandoening is. Als kind hoort Burgalat voor het eerst de uitspraak: ‘Binnen enkele jaren horen we niets meer over deze ziekte.’ Dat was in 1974.

Burgalats persoonlijk verhaal verdient een vertaling maar dat doen we misschien een andere keer. Ik meld verder enkele losse interessante punten, samengevat, soms letterlijk geciteerd.



B: ‘De enige echte scheidslijn tussen diabetes 1 en 2 is die van overleven: je hebt mensen die in coma raken en snel sterven als ze geen insuline krijgen en je hebt alle andere.’ Ik werd gefeliciteerd met mijn diagnose diabetes 1. ‘Diabetes 1 is voor intelligente mensen,’ verklaarde een dokter. Mensen met diabetes 2 worden veracht.

B: Fransen eten gemiddeld per jaar 35 kilo suiker. Suikers zijn overal: lactose, fructose, glucose en de suikers die voedselproducenten toevoegen. ‘Zonder toegevoegde suikers’ wil niet zeggen dat een product suikervrij is.

B: ‘Snelle’ en ‘langzame’ insuline, het is onduidelijk waar de verschillen vandaan komen. De psychologie van diabetici wordt genegeerd. Bloedsuikerwaarden gaan omhoog of omlaag door stress, vreugde, fijne sex, angst, inspanning, verdriet… Dan kun je wel elke dag ’s morgens je bloedsuikerwaarde meten maar je tast in het duister waar de verschillen vandaan komen en je kunt er dus niets aan doen.

B: na decennia research is er nog geen enkele aanwijzing dat kunstmatige zoetstoffen kanker of andere ellende veroorzaken. De laatste wijsheid is weer dat de alvleesklier reageert op zoetstoffen alsof het suiker is. Misschien is dat zo, denkt Burgalat, maar zoetstoffen redden levens van diabetici!

B: eten onderweg, een café op het Franse platteland:
Meneer, mag ik een cola light?
Dat hebben we niet.
Graag een thee met citroen dan.
Zeg, we zijn hier niet in Parijs!

B: de positieve kanten van diabetes: de voedingsadviezen voor diabetici zijn nuttig voor iedereen! Verder krijg je soms hallucinaties die sterker zijn dan bij inname van drugs!

B: in de besturen van diabetes-patiëntenverenigingen zitten meestal medici; ze ontvangen geregeld sponsorgeld van de farmaceutische industrie die weet dat die verenigingen tegenwoordig nuttig, zo niet noodzakelijk zijn bij de marketing van hun producten. (Burgalat is mede-oprichter van de Franse vereniging Diabète et Méchant, zie http://diabeteetmechant.org/ , motto: Alles hopen, niets verwachten.

B: diabetes is een onzichtbare ziekte. Je kunt werkgevers niet echt kwalijk nemen dat ze twijfelen om je in dienst te nemen. Ik werk zelf geregeld meer dan 100 uur per week en ik vind het heerlijk. Minder fijn is als je de voogdij over een kind niet krijgt omdat de rechter het maar link vindt voor het kind: een vader die opeens in coma raakt. Je moet ook veel meer rente betalen voor je hypotheek, ja, je zou wel eens ziek of blind kunnen worden en de bank niet meer kunnen betalen.

B: Dus logisch dat sommige mensen hun ziekte verbergen, formulieren niet meer eerlijk invullen, een soort clandestiene diabetici worden.

B: seks is meestal geen probleem, maak je geen zorgen over impotentie als je jong bent.

B: Ik roep wel eens ‘klootzak’ tegen iemand. Dom om dat te doen als je hersens even onvoldoende suiker krijgen. Maar het is wel erg overdreven om alle diabetici als ruziezoekers, agressievelingen, humeurig te beschouwen.

B: de normen voor ‘gezonde’ bloedsuikerwaarden worden star gehandhaafd en telkens naar beneden bijgesteld zodat steeds meer mensen officieel diabeet worden. In het verleden zijn diabetici van de honger omgekomen omdat ze een extreem dieet moesten volgen.

B: tot slot goed nieuws: de uitvinding van de Glucowatch en later de FREESTYLE LIBRE. Een revolutie. Geen geprik meer in de vingertoppen om de glucose in het bloed te meten. Een simpele sensor die betrouwbare informatie verstrekt omdat het in staat is het glucoseniveau in de huid te meten. Vooral een aanwinst voor kinderen en mensen met diabetes 1. De ontwikkeling van de Freestyle Libre duurde zes jaar en de naam van het project was ‘Apollo’…
Eén Franse farmaceut zwoer alles in het werk te stellen om introductie en vergoeding van dit sympathieke dingetje te verhinderen.

Mijn info:
Het is (nog) erg duur. Maar:
“Het Zorginstituut Nederland heeft half december 2019 een verruiming van de vergoedingscriteria bekendgemaakt waardoor Flash Glucose Monitoring (FGM) volledig wordt vergoed voor onder andere mensen met diabetes die intensieve insulinetherapie volgen.”



How to Make America Sick Again

Hierbij een scan van mijn artikel over epidemieën in de VS en Nederland,
verschenen in Publiek Domein mei/juni 1996. 

Titel

“Nederlandse gezondheidszorg ontsnapt (nog) aan ‘thirdworldization’ VS”

‘DEZE BACTERIE WORDT BIJNA LETTERLIJK BIJ DE GRENS TEGENGEHOUDEN’