Nieuwe vertaling van Frantz Fanons Zwarte Huid, Witte Maskers

Lang geleden bracht mijn man Ismael Zayer die toen in Algiers woonde, een boek mee met de teksten van een conferentie in Algerije in 1982 over Frantz Fanon die toen een halve eeuw overleden was. Fanon was een zwarte psychoanalyticus uit Martinique, een van de Caribische eilanden, toen een kolonie van Frankrijk. Hij schreef twee wereldberoemde boeken: dat ‘Zwarte huid, witte maskers’ (Peau noire, masques blancs / Black skin, white masks) over de mentale verkniptheid en het psychisch lijden van zwarte afstammelingen van de Afrikaanse slaven van weleer. Het boek (200 blz.) verscheen in 1952 toen het Franse koloniale rijk nog vrijwel intact was. Het andere boek is ‘De verworpenen der aarde’ (Les damnés de la terre, The Wretched of the Earth).

Het kolonialistische tijdperk ligt achter ons (behalve voor met name de Fransen die nog veel koloniën hebben, vooral in de vorm van eilanden en pseudo-onafhankelijke landjes in Afrika) maar ik kan uit eigen ervaring zeggen dat ZHWM nog steeds een schat aan verhalen herbergt die anno 2022 even waar zouden zijn als toen. Ismael vertelde mij bijvoorbeeld dat Algerijnse mannen in de jaren ’80 nog steeds naar Frankrijk vertrokken voor studie of werk of familiebezoek, met het idee zo snel mogelijk in Parijs een Franse blonde prostituée te scoren, dus na ruim 20 jaar onafhankelijkheid (een van zijn vrienden ontdekte na de seks dat de blondine ook van Algerijnse komaf was). In de tijd van Fanon kwamen zijn mannelijke vrienden en kennissen per boot in Le Havre aan maar voordat ze de trein naar Parijs namen, wilden ze ook zo’n prostituée scoren.

De nieuwe prima vertaling van ZHWM verdient een onderzoek. Hoe komt het dat de ervaringen van zwart met wit hetzelfde blijven ook al is het kolonialisme en het racisme dat daarbij hoorde, verleden tijd? Je kunt wel zeggen dat er nu mildere vormen van racisme zijn (discriminatie bij sollicitaties, etnisch profileren e.d.) en dat per slot van rekening gedurende ons leven een zwarte man – Barack Obama – toch maar president van de VS is geworden en dat acht jaar volhield zonder vermoord te worden, om nog maar te zwijgen van het succes van zwarte musici wereldwijd.

Het wil namelijk niet zeggen dat psychiaters als Fanon niet nodig blijven om specifieke psychoses, schizofrenie, depressies, dwangneuroses en ander psychisch leed van zwarten te begrijpen en behandelen – en wel omdat de leefwereld van veel zwarten nog steeds die ontregelende, soms traumatische ervaring met racisme kent waar je als individu maar mee moet zien klaar te komen, plus de verkeerde, zelfdestructieve oplossingen die sommige daarvoor omhelzen.

Ik werkte ooit bij een vereniging die een Surinaamse kantoorhulp in dienst nam. Hij had met zorg een kamer gezocht in een blanke buurt, wilde geen contact met ‘de Bijlmer’. Hij ging huidcrèmes gebruiken om wit te worden. Hij dacht dat hij alleen maar allerlei klusjes moest doen, omdat hij zwart was, terwijl de rest van het kantoorpersoneel die klusjes ook deed (fotokopiëren, post versturen, adressen typen). Uiteindelijk werd hij ziek en kwam na enige maanden de kamerverhuurder met hem langs toen hij een zombie onder de tranquillizers was geworden, maar bij god, ik voelde me als collega onschuldig, niet verantwoordelijk.

Bij herlezing van ZHWM is me één ding opgevallen. Fanon schrijft aan de ene kant dat “alleen een psychoanalytische interpretatie” de psychische problemen van zwarte mensen kan blootleggen (als gevolg van een cultuur, individuele trauma’s, sociale illusies). Aan de andere kant schrijft hij ‘speelt het raciale drama zich in de open lucht af, de Zwarte heeft geen tijd om een onderbewustzijn te ontwikkelen… De Negers leven hun drama, ze verinnerlijken het niet”. Fanon vertelt van tientallen ervaringen met vrienden en patiënten die laten zien dat beide beweringen waar zijn, het hangt af van het individu in kwestie, zijn of haar locatie, waar zo’n persoon is in de tijd, toen in de jaren ’40 en ’50 of nu in 2022.

Om Obama te beschrijven als een zwarte man met een wit masker, zoals vooral op links gebeurde, is gezien zijn track record wel erg simplistisch, zoals ook geldt voor de zwarte man die de eerste president van Senegal werd, Leopold Sédar Senghor. Over hem is pas een biografie verschenen waarin enkele van zijn vroegere linkse critici op hun woorden in de trant van ZHWM terugkomen. Het boek won de Goncourt voor de beste biografie in 2022. Ik zal die nog uitgebreid bespreken.

Laat me één ding noemen waar Fanon en Senghor het over eens zijn: de zwarte intellectuelen van Martinique keken neer op zwarte intellectuelen in Afrika. Daardoor kon de Senegalees Senghor niet met zijn eerste amour Martiniquaise trouwen. Haar ouders vonden het beneden hun stand.

Geen idee hoe dat nu ligt. Senghors tweede vrouw was een rijke blanke Française. Obama is en blijft getrouwd met de leuke Michelle. Wat zegt dat?

Onder een foto van Fanon. Net als mijn man leek hij bijna altijd te weigeren om te glimlachen op een portretfoto. Misschien wilden de fotografen liever een verbeten of droevig gezicht van de man die het opnam voor de verworpenen der aarde. Is niet meer te achterhalen.

English = Dutch

We zijn bezig met een nieuwe website. Dit is even een proefje.

the ABC – het abc

abnormal – abnormaal

aboard – aan boord

abortion – abortus

above – boven

abracadabra – idem

to abreact – afreageren

abrupt – abrupt

abscess – abces

absolute, absolutely – absoluut

to absorb – absorberen

abstract – abstract

absurd – absurd

acacia – idem

academic – academisch

academy – academie

accelerate – accellereren

accent – accent

accentuate – accentueren

to accept – accepteren

acclamation – acclamatie

to acclimate/acclimatize – acclimatizeren

accomodation – accomodatie (e.g. hotel)

accord – akkoord

accordion – accordeon

account – account

accountant – accountant

accredited – geaccrediteerd

to accumulate – accumuleren

adoption – adoptie

De eerste lezer

Wat bezielt een buitenlandse uitgever om een Nederlands literair werk te laten vertalen en te publiceren? Onderzoek onder uitgevers zou van alles uitwijzen, vooral op het vlak van hun commerciële beweegredenen, maar de research zou op een groot struikelblok stoten: de eerste lezer. Wie is dat, wie probeert een uitgever tot een vertaling te bewegen? Dat is die Duitser, Chinees, Bulgaar, Colombiaan, Egyptenaar of Amerikaan die iets in het Nederlands leest en denkt: dit zou voor mijn eigen mensen vertaald moeten worden! Wat beweegt die mens?

Zelfs bij de Nederlandse romans die mij geboeid hebben en echt indruk maakten, dacht ik onder het lezen nooit: dit moet vertaald worden (in het …). Het kwam nooit in me op dat mij goed bekende volkeren zoals Italianen en Iraki’s met wie ik jarenlang heb samengeleefd, of misschien zelfs wel elke lezer op de planeet kennis moest maken met Joe Speedboot van Tommy Wieringa of Nooit meer slapen van Willem Frederik Hermans.

Toch is Joe Speedboot in het Italiaans en Arabisch vertaald, alsmede in het Afrikaans, Deens, Duits, Engels, Fins, Hebreeuws, Hindi (!), Koreaans, Pools, Portugees en Tsjechisch. Daardoor kan Joe Speedboot potentieel door bijna drie miljard lezers genoten worden. Hetzelfde geldt voor Nooit meer slapen dat werd vertaald in het Afrikaans, Chinees (!), Duits, Engels, Estisch, Frans, Hebreeuws, Hongaars, Italiaans, Noors, Sloveens, Spaans, Tsjechisch en Zweeds.

Nederlands, taal van 23 miljoen Hollanders en Vlamingen, geen wereldliteratuurtaal?

Het is onwaarschijnlijk dat Hermans en Wieringa onder het schrijven aan een wereldpubliek hebben gedacht, voorzover dat menselijk mogelijk zou zijn. Hoe rekening te houden met een Zuid-Afrikaanse en Zweedse lezer? Ik kan me er niets bij voorstellen, dat is een taak voor vertalers. Dus wat voelden en dachten, bijvoorbeeld, hun Chinese en Indiase eerste lezers die de schrijvers hoogstwaarschijnlijk nimmer in gedachte hadden?

De Italiaanse literator en linguist Umberto Eco heeft geprobeerd te bewijzen dat een roman een ‘ideale lezer’ nodig heeft om mentaal te construeren wat de schrijver min of meer bewust wilde dat de lezer zou lezen. Lezers die dingen te letterlijk nemen en in een roman gebruikte Parijse straatnamen op een plattegrond van de stad gaan checken of lezers die niet in staat zijn tot de bekende ‘willing suspension of disbelief‘ zijn voor Eco geen ideale fictielezers.

In zijn fameuze, heerlijke lezingenreeks Six Walks in the Fictional Woods (over de onontbeerlijke rol van de lezer in een verhaal, de lector in fabula) besteedt Eco vreemd genoeg echter amper aandacht aan wat een lezer allemaal moet overwinnen om een ideale lezer te worden. Want lezen is geen onschuldige bezigheid.

Dat weten in ieder geval ervaren uitgevers die tips van eerste lezers over hen onbekende buitenlandse literatuur in ontvangst nemen. De tijden dat communistische schrijvers alleen literatuur aanbevolen van andere lieden met een soortgelijke partijkaart in andere landen, liggen pas enkele seconden achter ons. Hoe verstoppen zich vrouwenhaat, antisemitisme of fascistische verheerlijking van geweld in 21e-eeuwse romans?

Nee, zeker de uitgever mag niet naïef zijn. Tussen een roman en zijn eerste lezer staat een batterij aan factoren die zijn of haar manier van lezen, interpretatie en oordeel kunnen kleuren.

Literaire dogma’s en voorschriften waaraan romans volgens eerste lezers zouden moeten voldoen, zijn vermoedelijk bij velen niet eens het grootste struikelblok, aangezien de meestal niet academisch gevormde schrijver die moeiteloos negeert. Literatuur blijft – heel wonderlijk eigenlijk – vooral een productie van literaire leken.

Persoonlijke herinneringen van de eerste lezer, zijn of haar levensomstandigheden, privé beleden normen en waarden, geloofsartikelen en vooroordelen lijken me al veel sterkere moteven om de aantrekkingskracht van een Nederlandse roman op een niet-autochtoon te verklaren. Echt, ze bestaan, vrouwen die alleen romans van vrouwen lezen. In het recente verleden waren er mannen die dat juist niet deden omdat ze meenden dat vrouwen niet konden schrijven.

Uiteraard maken vele briljante werken, zelfs die van een hoog Nobelprijs-gehalte, geen enkele kans als de lezer het wijdverbreide credo aanhangt dat ‘de eerste regels mij meteen bij de kladden moeten grijpen’. Ongeveer even wreed selecteert een thema waarop de eerste lezer totaal is uitgekeken (de Grote Liefde, Moed in Oorlogstijd): het boek wordt na lezing van de achterflap niet eens ingekeken mogen we aannemen.

Een Franse eerste lezer hoeft een nieuwe Nederlandse roman niet in zijn chauvinistiche achteruitkijkspiegel te bekijken en af te meten aan de Franse literatuur uit haar glorieuze innovatieve tweede helft van de 19e eeuw, zoals zijn docenten hem geleerd hebben, want een Fransoos kan een bijna exclusieve voorkeur hebben voor romans in 20e-eeuwse o.t.t.-stijl, voor plots die zich in de Tweede Wereldoorlog afspelen, of voor drama’s in korte-zinnen-proza met hedendaagse, zich nooit als Proust vervelende flexwerkers in de hoofdrol.

Er bestaan buitenlanders die het zichzelf heel gemakkelijk maken door de hele Nederlandse literatuur ‘te stroperig of juist te waterig’ vinden (de Albanees Aleksander Beciri op http://www.boekvertalers.nl) en anderen die niet in termen van een nationale literatuur denken en alleen op een individuele schrijver letten.

Als de wereldwijde populariteit van bijvoorbeeld een Franse auteur als Michel Houellebecq ons iets leert over het fenomeen van buitenlandse vertalingen, dan is het wel het belang van actuele thema’s, van trekjes van het eigen tijdperk en van soms door een auteur zelf geïntroduceerde modes in de literatuur. Hoeveel epigonen van Houellebecq zijn er inmiddels?

Toch lijkt het gegeven van een zekere gebondenheid aan eigentijdse thema’s en personages niet het belangrijkste voor succes in het buitenland. De eerste lezers die zo massaal Hermans’ of Wieringa’s roman in een buitenland hebben aanbevolen, moeten toch iets anders gemeenschappelijks hebben gehad in hun enthousiasme. Ze hebben zich allemaal blijkbaar niet buitensporig laten leiden door hun eigen autobiografische details en ze zijn dus behoorlijk ideale lezers geweest naar Eco’s maatstaven. Hoe is dat mogelijk onder Spanjaarden, Finnen, Arabieren, Koreanen en Chinezen? De meeste tipgevers voor buitenlandse uitgevers zijn, neem ik aan, niet-Nederlanders en zij zijn dus logischerwijs juist die lezers die nog veel meer moeite zouden moeten hebben met uitgroeien tot een ideale lezer van een Nederlandse roman dan een in onze delta opgegroeide liefhebber.

Op de achterflappen van romans wordt vaak zo gemakkelijk beweerd dat in de tekst ‘universele thema’s’ worden aangeroerd, maar ik vraag me geregeld af wie nog geilt op zulke tijdloze romans over ‘het eeuwige lot van de buitenstaander’ of ‘het drama van overspel’. De aanwezigheid van zo’n universeel thema lijkt mij nou juist géén aanbeveling, iets volslagen onbekends des te meer.

Wat is dan dat andere dat buitenlandse eerste lezers in hun waardering voor een roman gemeen hebben? We zouden kunnen kijken naar de criteria waaraan over het algemeen nieuwe brokken tekst gemeten worden in de 21e eeuw. Lezers en recensenten zijn begeesterd door de stijl en/of of de uitwerking van een thema, door de boodschap of de nieuwe kennis die over de werkelijkheid wordt aangedragen, soms door alle vier, door het gevoel dat ‘alles klopt’: feiten, standpunten, gevoelens, dialogen, uitvindingen én de eigen taal van de schrijver, dat esthetische, artistieke onmisbare extra dat alles bij elkaar brengt, perfect doet uitkomen, het unieke waardoor we anders gaan denken over het leven met al zijn gedoe.

Was er bij eerste lezers een enthousiasme voor al dat soort elementen in Joe Speedboot en Nooit meer slapen? Misschien. Vast wel. Maar voor die romans geldt nog een criterium, vermoed ik: namelijk dat de enthousiasmerende roman onderdeel kan worden van een ‘vaderlandse’ serie. Want hoe typisch Nederlands een literair werk ook is, met om de tien kilometer logge dijken, sektarische protestanten, marihuana in gezellige coffeeshops en tulpenvelden, literaire werken blijken in staat zich in het buitenland ergens bij aan te sluiten, ik neem aan: bij wat momenteel leeft in de literatuur daar, bij toekomstdromen, bij historische trauma’s, bij problematische tradities en gewoonten, bij ideeën over het goede leven, bij verhalen over helden en schurken, bij legendes over staten als slachtoffers en daders.

Een Nederlandse roman valt bij een buitenlandse eerste lezer onvermijdelijk de orde van een andere taal binnen waarin zich generaties lang verhalen hebben opgehoopt: er moet een klik zijn. Dus: vooral de buitenlander met intieme kennis van zijn of haar thuisfront zal connecties ontdekken.

De connectie met lezers in thuislanden moet verder bovenal gezocht worden in het specifieke denken eigen aan literatuur, denken bedreven door leken, niet door wetenschappers of filosofen. Het gaat om alledaags denken, in de zin van gedachten die maar blijven terugkeren, verontrusten en nog een heldere vorm missen, een formulering ontberen, een beeld, een groot verhaal nodig hebben: een roman, een novelle, een gedicht.

De westerse roman is de bij uitstek internationaal doorgebroken vorm van literatuur. Het is een universele vorm geworden, zoals eerder het sprookje. Het is een vrije vorm die zich leent voor reflectie op ervaringen en gebeurtenissen die in de taal van de samenleving in platvoerse of ook wel deftige clichés gevangen lijken te zitten. De roman is in staat nog ongekende parallelle werkelijkheden onder woorden te brengen, een enkele keer zelfs hele mentale continenten te onthullen. Er leven dingen in het auteursbrein die, in weerwil van de planning voor een roman en schema’s, onder het schrijven hun eigen weg gaan als jarenlang terugkerende, ongenode nachtmerries. Veel schrijvers hebben het gevoel iets te schrijven dat al voor hen klaar lag ergens in het universum. De roman levert daardoor een geheel eigen vorm van kennis af. En zoiets wil, heel menselijk, met anderen gedeeld worden, zoals natuurkundigen Einsteins vondst E=mc² aan elkaar doorgaven, in weerwil van alle eerdere formuleringen van de werkelijkheid.

Mijn recensies van biografieën

Ik probeer elke maand een recensie van een interessante biografie te publiceren op biografieportaal.nl. Als je op mijn naam in één van mijn recensies klikt, vind je de links.

Tot nu toe verschenen recensies van Nederlandstalige en Engelstalige biografieën van:

Charles Dickens, Santiago Ramón y Cajal (vader van de moderne neurologie en begenadigd tekenaar), Vladimir Poetin, de huidige president van Oekraïne Volodymyr Zelensky, Poetins aartsrivaal Aleksy Navalny, de Russische kosmonaut Joeri Gagarin, Amazon-baas Jeff Bezos, de innovatieve econoom Thorstein Veblen, de schilder Magritte, filosoof Jacques Derrida, de Saudische kroonprins Mohammed bin Salman, Donald Trump, de in Nederlandse miskende Afro-Amerikaanse schilder Romare Bearden, de jodenjager Johnny de Droog, verzetsheld en antistalinist Rinus Pelgrom, de grootste Nederlandse seriemoordenares Goeie Mie.

U ziet, ik ben een serieus meisje met een brede interesse.

Een heel andere Michel Houellebecq – recensie van ‘Anéantir’

Op 7 januari kwam de achtste roman van Michel Houellebecq officieel uit, dezelfde dag dat de islamistische moordpartij bij het blad Charlie Hebdo in 2015 herdacht kon worden. Maar deze roman gaat over allerlei vormen van terreur. De schrijver heeft zichzelf uitgedaagd te begrijpen waarom mensen aan het leven hangen en niet voortdurend met zelfmoordplannen rondlopen. Ook worden Franse kiezers gewaarschuwd voor de manipulaties van een president die de democratie wil afschaffen.

Wat doet een recensent voordat de recensie geschreven gaat worden? Hij of zij kijkt vaak eerst wat anderen al over het boek hebben geschreven. Ik doe dat ook, om mijn eigen eerste indruk of haastige eerste oordeel van het geheel te vergelijken.

Bij de nieuwste, achtste roman van Michel Houellebecq, Anéantir (Vernietigen), ben ik er na lezing van enkele Franse recensies snel mee opgehouden. Franse critici ging het vooral om de vraag ‘wel of niet lezen?’ en het antwoord kwam meestal in de vorm van ja of nee, gevat in een volstrekt abstract taalgebruik. Ik zocht ook meestal tevergeefs naar wie wat vernietigde, hoewel dat een hele lijst van personen en instanties is in de roman. Een samenvatting van het verhaal ontbrak ook vaak, alsof de meeste lezers dit niet belangrijk vinden. Dat een schrijver het lef heeft om te proberen met een roman de komende presidentsverkiezingen te beïnvloeden en de kiezers te laten zien hoe ze gemanipuleerd worden, leek in Frankrijk geen aanleiding voor een analyse. Ik stond paf.

Vijf aanslagen

De roman opent met een gigantische, meterslange graffiti in het hart van de Parijse metro, type vage 1968-leus: Survivances de monopoles / Au cœur de la métropole. De Franse geheime dienst DGSI vindt het niet verontrustend klinken en kan niet met zekerheid zeggen wie die geschilderd heeft, want niemand heeft de verantwoordelijkheid opgeëist, zoals ook later het geval zal zijn bij vijf aanslagen.

In een fake video wordt de Franse minister van economische zaken en financiën, Bruno Juge, onthoofd, een man die altijd pal staat voor de belangen van het Franse grootkapitaal. Daarbij is gebruik gemaakt van nog nooit vertoonde animatiesoftware (MH werkte ooit zelf in de ICT). In een begeleidende video wordt met behulp van dezelfde technologie een groen landschap tevoorschijn getoverd waarin, onmogelijk, elk groen blaadje van de miljoenen een beetje anders is.

Even later worden op volle zee twee mammoet-containerschepen tot zinken gebracht met geavanceerde torpedo’s, zonder menselijke slachtoffers. De eerste, met zijn 23.000 containers, is ingehuurd door een Franse multinational, de tweede is Chinees.

Een commerciële spermabank in Denemarken wordt verwoest – in Frankrijk woedt al jaren een discussie tegen zulke ‘wezenfabrieken’. Tenslotte wordt een boot met zo’n vijfhonderd Afrikaanse vluchtelingen tot zinken gebracht en wordt iedereen die niet meteen verdrinkt, met mitrailleurs alsnog de dood in gejaagd.

Alles bij elkaar opgeteld lijkt mij de boodschap hiervan nogal duidelijk: als er niet wordt geluisterd naar critici van de globalisering en de afbraak van onze natuurlijke voortplanting, naar de mensen die niet de voordelen, alleen de nadelen ervan ondervinden, gaan vreedzame protesten vroeg of laat over in grof geweld, in verwoesting. Dat was al eerder de boodschap van MH in zijn vorige roman Sérotonine, met zijn lange scène gewijd aan verzet van boeren die het loodje leggen door goedkopere import van zuivel en fruit (MH is afgestudeerd agronoom). De fictieve minister van economische zaken komt later wel tot het besef dat hij toch ook eens wat ondernemen moet tegen armoede en werkloosheid in Frankrijk, maar in de roman gebeurt er niets meer met dit inzicht, zoals er ook geen grote hervormingen worden ondernomen naar aanleiding van de aanslagen.

Dood in de Ehpad

Hoofdpersoon van de roman en MH’s alter ego is Paul Raison, getrouwd met Prudence, een kinderloze vijftiger, vertrouwensman van minister Juge, broer van de devote rooms-katholieke Cécile. Hij is de grote waarnemer in deze roman, die de levens van iedereen – familieleden, collega’s, politici, artsen en verpleegsters – observeert en met elkaar samenbrengt.

Dit samenbrengen ontstaat doordat de vader van Paul een herseninfarct krijgt, in coma raakt en zijn kinderen en hun aanhang dus in actie moeten komen: euthanasie of niet, de erfenis, het tweede huis in de prachtige Beaujolais-regio. Hierdoor kan MH uitpakken over jeugdherinneringen, huwelijken, liefde, seks en erotiek, collega’s van Pauls vader, sympathieke kanten van de kerk (zonder zijn atheïsme op te geven), euthanasie en de zin van het leven van bejaarden, de achteruitgang van het platteland – waaraan toch enkele stadjes kunnen ontsnappen.

Na enige tijd wordt vader overgebracht naar een Ehpad, de Franse afkorting voor wat wij een verpleeg- of verzorgingshuis noemen. Tijdens de beginmaanden van de coronapandemie hebben de Ehpads een gruwelijke reputatie gekregen in Frankrijk. Ouderen stierven er bij bosjes en zoals in Nederland werd de familie meestal het recht ontzegd oma’s en opa’s mee naar huis te nemen of gezelschap te houden op hun sterfbed. MH verwerkt dit gegeven uit tot een hoogst originele reddingsoperatie van papa uit een Ehpad die zwaar doet denken aan de omgeving van Cliënt E. Busken van Jeroen Brouwers en de verhalen van Hendrik Groen en Frans Pointl.

Later overleeft de vader van Prudence een auto-ongeluk, waarbij haar moeder wel het leven laat – opnieuw een gelegenheid voor MH om te vertellen over mannen die de dood van hun echtgenotes niet kunnen overleven en over een nieuwe verliefdheid op hoge leeftijd – een thema dat ook centraal staat in de Netflix-serie After life van Ricky Gervais, een wereldwijd succes. MH bezingt de kookkunst van echtgenotes, hun organisatietalent en hun intuïtieve begrip van mensen. Het leest allemaal eerder als een compliment dan het reactionaire gewauwel en de vrouwenhaat die anderen erin willen zien.

Een BF’er als president

De derde verhaallijn draait om de presidentsverkiezingen van 2027. Veel science fiction komt hier niet aan te pas. Bijna alles hebben we al meegemaakt met Donald Trump, Boris Johnson en Emmanuel Macron. Door de uitvoerige dialogen met spindoctor Solène Signal, media consultant van de zittende president en diens kandidaat, Benjamin Sarfati, wordt de lezer ingewijd in heel gebruikelijke manipulatie van kiezers. Sarfati is een product van de media, hij is populair, want hij heeft een ‘warm hart, is empathisch, staat dicht bij de mensen’. Hij heeft amper politieke ideeën en weet niets van economie. Is niet erg, hij krijgt Bruno Juge mee op campagne, de man die kiezers wel kil en elitair vinden, maar ook erg competent.

Het is ook niet erg omdat de (naamloze) zittende president, die vanwege de grondwet geen derde termijn kan krijgen, Sarfati alleen maar als een tussenpaus zal gebruiken, om de grondwet te wijzigen, zodat presidenten langer dan twee termijnen mogen dienen (zoals vaak in dictaturen mogelijk is; Macron is ook nog jong genoeg om van twintig jaar doorregeren te dromen). Ook wil deze president-op-de-achtergrond het ambt van premier afschaffen.

MH wil hier blijkbaar waarschuwen voor ambities en doelstellingen van Macron (‘président des riches‘), die het maar niet lukt de populariteit van een De Gaulle te evenaren, als president van ‘alle Fransen’. Sarfati zal dat allemaal worst wezen, hij droomt van de knalfuiven die hij in het Elysée met andere BF’ers gaat organiseren. Maar MH bangt om wat er over enkele jaren nog over zal zijn van de democratische rechtsstaat in Frankrijk. Opvallend is dat een enkele tegenstander hem kwalijk neemt dat hij de zwakte van links in Frankrijk benoemt – terwijl de versnipperde linkse partijen er in de huidige strijd voor het presidentschap opnieuw niet in geslaagd zijn met één kandidaat te komen, laat staan met één coherent links, sociaal-democratisch politiek programma. Het verdeelde rechts doet het niet beter overigens.

Vrouwen en smeerlappen

Met control+F kon een luie feministische recensente in de door onbekenden gelekte PDF van de roman gemakkelijk bedenkelijke uitspraken over vrouwen verzamelen. Die moeten dan wel uit hun context gerukt worden, maar who cares als je toch niet van plan was je door de 734 pagina’s te worstelen. Vrouwenhaat is in deze roman ver te zoeken, want er komen bijna uitsluitend sympathieke vrouwen in het verhaal voor – en vrouwen die veranderen en sympathiek worden door het beroep dat op hen wordt gedaan door het lijden van anderen.

MH heeft zich wel helemaal uitgeleefd op Indy, een salope, een vrouwelijke smeerlap, een op geld beluste derderangs journaliste die het nodig vindt wraak te nemen op haar man, Pauls broer Aurélien. Hierover kunnen we verder niets verklappen, alleen dat een artikel van deze Indy een heerlijk voorbeeld is van het soort pastiche waarop Houellebecq het patent heeft.

Seks is weer prominent aanwezig maar toch anders dan in vorige romans, omdat MH voor de verandering nu eens expliciet de mogelijkheid uitwerkt van de wederopbouw van een huwelijk waarin al tien jaar niet meer gevreeën werd. Erotiek, begeerte, verlangen, levenslust en een ander soort romantiek dan die van de Franse coup de foudre (liefde op het eerste gezicht) zijn het hele boek door belangrijker dan lekker soppen of porno kijken.

Kiespijn

Paul Raisons kiespijn in het tweede deel groeit uit tot iets waardoor hij moet kiezen tussen een vroege dood of gehandicapt doorleven. In het begin van de roman hangt hij niet zo aan het leven, maar hij heeft dus inmiddels gezien hoe anderen dat wel doen, zonder ons tranendal opeens vijf sterren te geven.

Voor de plot van het tweede deel van de roman heeft MH de nodige medisch specialisten geraadpleegd, zoals ook voor het eerste deel om informatie te vergaren over mensen met een herseninfarct tijdens en na hun coma. Vele Franse lezers zullen begrijpen dat het tweede deel mede geïnspireerd is door Le Lambeau (De Flard), het autobiografische relaas van Philippe Lançon, een journalist die op 7 januari 2015 als een van de weinigen de moordpartij door fanatieke moslims bij het satirische blad Charlie Hebdo overleefde. Hij werd wel in het gezicht geschoten en onderging maandenlang plastische chirurgie. Zijn relaas verkocht honderdduizenden exemplaren en kreeg vele prijzen. Dat op 7 januari dit jaar MH’s roman officieel uitkwam, lijkt me een eerbetoon en voor sommige lieden een onwelkome herinnering tegen het vergeten.

Liefde en solidariteit

De roman maakt op mij een onafgewerkte indruk, vooral door de vele herhalingen, alsof de schrijver in tijdnood kwam vanwege de presidentsverkiezingen in maart dit jaar en geen tijd meer had om te schrappen of kernachtiger samen te vatten. Of is hij wellicht doodziek en gaan we MH dit jaar begraven?

Het zou echter ook kunnen zijn dat het de principiële zwartkijker MH erg moeilijk viel om uit te werken hoe en waarom mensen ondanks ziekte en andere ellende aan het leven gehecht zijn en welke bijna allesbepalende rol de liefde van koppels en tussen ouders en kinderen daarin kan spelen. Het geruststellende adagium ‘zelfmoord kan altijd nog’ en het besef dat je met behulp van morfine zonder pijn de dood in kunt glijden, hebben geen gewicht in het verhaal. MH’s alter ego draagt de achternaam Raison, wat zowel de Rede (eeuw van) en reden, beweegreden betekent – een duidelijke hint tegen het volgen van onderbuikgevoelens.

We lezen dus echt een heel andere, niet zo cynische of sarcastische Houellebecq, een man met minder galgenhumor, die daarom misschien meer dan zevenhonderd bladzijden nodig had om het wonder van de solidariteit aan zichzelf uit te leggen door middel van uiteenlopende protagonisten: vaders, zoons en dochters, echtgenoten, ambtenaren en politici, stedelingen en dorpelingen, artsen en verpleegsters, autochtone Fransen en Arabieren (de tandarts en kno-specialist), het legale bovengrondse verzet (door juristen, artsen) en het illegale ondergrondse verzet (door voormalige linkse radicalen) bedoeld om mensenlevens te redden. Anéantir is één groot verhaal tegen die vreemde, gemakzuchtige menselijke drift om alles wat irriteert te vernietigen.

WAT IK NIET WIL VERGETEN – Paolo Giordano

Ik moest dit boekje recenseren. Het is een ontroerende, intelligente tekst. Ik geef hier eerst mijn heel korte recensie en daarna veel citaten uit dit bewonderenswaardige boekje. Wat wil hij niet vergeten: bijvoorbeeld hoe de Italianen zich in het begin zo goed aan de maatregelen hielden en elkaar toezongen vanaf hun balkons, maar ook de legertrucks om de doden bij de ziekenhuizen in Bergamo op te halen.

Mijn recensie:

Vanaf het begin van de coronapandemie schreef de auteur een maandelijkse bijdrage voor het Italiaanse dagblad Corriere della Sera. Hierin probeerde hij uit te leggen welke wiskunde eraan te pas komt om te begrijpen hoe de pandemie zich ontwikkelt. De andere persoon die ook de auteur aan het worden is, reflecteert op wat lockdowns en andere maatregelen werkelijk opleveren, wat ze met hemzelf en zijn landgenoten doen, geestelijk, sociaal, fysiek. Hij bekritiseert de communicatie van de overheid met de burger en die van de experts in televisietalkshows, want men weet niet om te gaan met het feit dat de pandemie overal ter wereld, ook door de globalisering, vrijwel hetzelfde verloop kent, niettemin complex is, en zo radicaal nieuw dat mensen de ‘ondenkbare’ situatie maar moeilijk accepteren. Al in november 2020 concludeert hij dat de bereidwilligheid zich aan beperkende maatregelen te houden niet lang meer zal standhouden. Hem verbaast dat niet na decennia van ‘ondermijning van elke deskundigheid’. Hoe dan ook, de nationale, regionale en lokale overheden reageren vrijwel altijd te laat.

Het boekj laat goed ons voortschrijdend inzicht in alle aspecten van de pandemie zien. Persoonlijke ervaringen, Italiaanse details en wat er gebeurt in de wereld staan prachtig verwoord naast elkaar

De auteur brak ooit ook in NL door met de roman De eenzaamheid van de priemgetallen.

CITATEN

Onze moeite om te accepteren dat er iets aan de hand is wat radicaal nieuw is, dat ‘ongewoon’ is, is nog zo’n diep menselijk trekje van ons. Een vorm van afkeer van het onverwachte, het verwarrende en vooral het complexe.

Het point of no return is alleen te herkennen als je er voorbij bent, dus als het te laat is. In februari (2020) passeerden we het, zonder iets in de gaten te hebben, ruim voordat we beseften dat het virus onder ons was.

‘Als je wacht tot ‘de mensen’ het gevaar echt voelen, dan is het dus heel, heel erg laat… het opofferen van de eigen populariteit (bij politici) is helaas absoluut nodig voor de goede zaak.’

‘… ik zeg de laatste weken vaker ‘wij’ dan ‘ik’. Weken waarin zelfs mijn dromen niet meer helemaal van mij alleen waren, ze waren ‘van ons’, nachtelijke overvallen op ons collectieve onbewuste.’

Langste tijd ooit dat ik me niet heb bezig gehouden met fictie, maar met handen en voeten in de modder van de werkelijkheid stond … de details van mensenlevens ontgingen me, alsof er niet de goede glazen in mijn bril zaten.

25-2-20: Een van de geheimen van de wiskunde is om niet al te subtiel te werk te gaan, en de wiskunde van het coronavirus verdeelt de bevolking, ons allemaal, grofweg – in het Engels – in de Susceptibles (S), de vatbare personen die besmet kunnen worden; de Infectious (I), degenen die al besmet zijn; en de Recovered (R), degenen die al besmet zijn geweest, het hebben overleefd en het virus niet meer overdragen. Ieder van ons weet meteen in welke categorie hij valt. Samen vormen de initialen van de categorieën de naam van het model waar epidemiologen zich deze weken op beroepen als op een orakel: het SIR-model. Klaar.

Maar op dit moment is er geen enkel bewijs dat het coronavirus een autonome seizoenspiek bereikt om vervolgens weer af te nemen, zoals gewone seizoensgriepen. Wat de besmettingspiek betreft: er zijn mensen die zich hebben laten misleiden door het nieuws dat die in China alweer voorbij is. En dat dat bij ons ook snel zo zal zijn. Het is de verkeerde interpretatie van een gegeven. Het zou correcter zijn om te zeggen dat ‘een’ piek, de eerste, in China is bereikt en nu voorbij is. En dat is nou net volledig te danken aan de extreem beperkende maatregelen die China heeft getroffen. (Maar er komen dus nieuwe pieken, nieuwe golven)

David Quammen heeft het over wat er in 2003 gebeurde met Sars. Zijn boek Spillover van jaren geleden voorspelde wat we nu beleven.

We waren voortdurend te laat, vanaf het moment dat we over de eerste brandhaard in Hubei hoorden.

En zo ontpopt de wetenschap zich weer als wat ze is: een rem op ons genot.

Doodmoe van het gevraag om geruststelling hebben vele wetenschappers uiteindelijk gezegd wat de mensen wilden horen: ‘ja, het vaccin komt eraan’, j’a die behandeling werkt geweldig’, ‘ja het virus is zwakker dan in het begin’, ‘ja het mooie weer gaat helpen’., Ja alles komt goed.

James Hillman: ‘Het vermogen tot normalisering zal ook een overlevingsfactor zijn voor de mens… maar wat als dat op de lange duur een van zijn schadelijkste gebreken blijkt te zijn. Wat is dan het verschil tussen normalisering en ontkenning, moedwillige onbewustheid, onwetendheid, psychische afstomping?’ Als je alles accepteert, leidt dat dan niet tot alles maar goedvinden?

Mensen zijn gewend om binair te denken: ‘acute crisis of geen crisis, huisarrest of ongelimiteerde vrijheid, terwijl iets er tussenin de juiste houding zou zijn. Alert zijn, maar niet gealarmeerd, ontspannen maar wel op je hoede…’

Ook bipolair denken: ‘noodsituatie of niks aan de hand, open of dicht, straf of redding. Dood of wedergeboorte.’

Principes van beleid

centralisatie: niet elke stad of regio voor zich

granulariteit – soms lokaal of per sector de dingen anders doen, geen one size fits all

automatismen – van tevoren kritische drempels en indicatoren vaststellen, niet telkens weer discussie

data – zo veel mogelijk data verzamelen, we laten veel te veel liggen

transparantie – hoeveel contactonderzoekers zijn er aangenomen, waarop is de testcapaciteit gebaseerd etc. etc.

begeleiding – geen gezever in talkshows, we hebben één gezaghebbende stem van de overheid nodig

betrokkenheid – begrijp de verwarring en wanhoop soms van de mensen, ze snappen heus wel wanneer iets een rationele belissing is

In de herfst van 2020 schrijft hij: “er bestaat nog een zekere marge van bereidwilligheid maar niet lang meer. Als we die kwijt zijn, zijn we alles kwijt.”

In het ziekenhuis … ze werken keihard; en ze moeten elke dag zoveel verdrietig nieuws aan zoveel mensen brengen… we hebben alles aan hen gedelegeerd.

Het ondenkbare is de belangrijkste eigenschap van het tijdperk dat voor ons ligt

De waarheden die aan het licht kwamen zullen verdwijnen zodra alles weer ‘normaal’ wordt

Voorbeeld van Xyella bacterie die in 2020 olijvenbomen begon te doden. Politiek proces verloopt precies even stompzinnig… domme milieubeweging ook tegen omhakken van de bomen.

Vaccins weigeren is vaak …. een uiting van het weigeren van het systeem, van een bepaald soort gevestigde orde die als onderdrukkend en onwettig wordt ervaren. Het lichaam wordt gezien als het laatste bolwerk waarop het systeem geen inbreuk kan maken, waar het geen enkele vorm van controle over heeft.”

Twijfels en reserves moeten worden gerespecteerd. Goed luisteren en overtuigen… maar niet onze tijd verdoen aan overtuigen felle antivaxxers, hebben we geen tijd voor.

Wetenschappers weten dat ze het meeste niet weten.

Tripelpunt: in de natuurkunde het punt waarop water zowel gas, vloeibaar en vast is… het is een metafoor voor de toestand waarin wetenschap, politiek en communicatie in harmonie met elkaar kunnen bestaan.

Farewell to Gabo and Mercedes

Rodrigo Garcia. A Farewell to Gabo and Mercedes

In the last years of his life, Gabriel García Márquez, began dementing and in the beginning he was aware of that. His son Rodrigo was with him in his last weeks and tells the story of his death and of his wife Mercedes. I present here a few quotes from the book that I found interesting or touching.

(GABO = Gabriel García Márquez)

Gabo, in his late sixties said: “You wake up one day and you’re old. Just like that, with no warning. It’s stunning. I heard years ago that there comes a time in the life of a writer when you are no longer able to write a long work of fiction. The head can no longer hold the vast architecture or navigate the perilous crossing of a lengthy novel. It’s true. I can feel it now.”

There was a past when conversation was as natural to him as breathing. Creative, funny, evocative, provocative conversation. Being a great conversador was almost as highly regarded among his oldest group of friends as being a good writer.

He would say, “I work with my memory. Memory is my tool and my raw material. I cannot work without it. Help me,” and then he would repeat it in one form or another multiple times an hour for half an afternoon. It was grueling. That eventually passed. He regained some tranquility and would sometimes say, “I’m losing my memory, but fortunately I forget that I’m losing it,” or “Everyone treats me like I’m a child. It’s good that I like it.”

After he is installed in the … bed, my father’s first words, delivered through a raspy whisper and hard to make out, are “I want to go home.” My mother explains that he is home. He looks around with something like disappointment, apparently recognizing nothing. He takes his right hand up shakily to his face in a gesture that is very much his. The hand lands on the forehead and then slides down very slowly over the eyes, closing them shut. A frown and tightly pursed lips round it out. It’s a gesture that he uses as a sign of exhaustion or concentration or when he is overwhelmed by something he just heard, usually something to do with a person’s hardship.

He once said, “Nothing interesting happened to me after the age of eight.” That’s how old he was when he moved away from his grandparents’ house, the town of Aracataca, and the world that inspired his early writing. His first few books, he admitted, were trial runs for One Hundred Years of Solitude.

He reminded us (and himself) several times over the years that neither Tolstoy, Proust, or Borges ever won the Nobel Prize, nor did three of his favorite writers: Virginia Woolf, Juan Rulfo, and Graham Greene. Often it seemed to him that his success was not something he had achieved but something that had happened to him. Up until late in life, as his memory was fading, he never reread his books for fear that he would find them embarrassingly wanting and that it would paralyze him creatively.

Hunger: <During> his time in Paris, an afternoon he visited a woman and tried to extend the visit so as to be asked for dinner, since he was broke and hadn’t eaten in days. After that failed, rummaging through her garbage on the way out and eating out of it.

About the novel One Hundred Years of Solitude: he had enough material for two more generations. He decided not to include it for fear the novel would be too long and tiresome. He thought great discipline was one of the cornerstones of writing a novel, particularly when it came to framing the shape and limits of the tale. He disagreed with those who said it was a freer, and therefore easier, form than a screenplay or a short story. It was imperative, he argued, that the novelist draft his or her own rigorous road map in order to traverse what he referred to as “the treacherous terrain of a novel.”

My dad greatly admired and envied songwriters for their ability to say so much and so eloquently with so few words. While writing Love in the Time of Cholera, he submitted himself to a steady diet of Latin pop songs of love lost or unrequited. He said to me that the novel would be nowhere as melodramatic as many of those songs, but that he could learn much from them about the techniques with which they evoked feelings. He was never a snob about art forms and enjoyed the work of people as diverse as Béla Bartók and Richard Clayderman.

“If you can live without writing, don’t write,” he often said… “There is nothing better than something well written.”

Opiniepeilingen zeggen weinig over de werkelijkheid

Bij het opruimen van mijn archief vond ik dan eindelijk een artikel dat ik lang geleden voor de Volkskrant schreef, toen ik nog als freelancer toegang had tot diverse pagina’s, zoals de pagina Forum voor opiniestukken en de bijlage Het Vervolg.

Dit artikel is van 20 december 1996. De redactie had het wat ingekort en er een nieuwe titel voor bedacht: ‘Opiniepeiling zegt niets over werkelijkheid’. Dat was wel een beetje overdreven.

De oorspronkelijke titel was:

De barometers van de zwijgende meerderheid

Ik denk dat het stuk nog steeds actueel is, hoewel ik het schreef in de jeugdjaren van de opiniepeiling. Niemand wist toen nog wat het internet zou brengen. Je kunt nu niet meer zeggen, zoals in de jaren ’50 en ’60 wel het geval was, dat ‘de publieke opinie’ toch vooral een verlengstuk is van opinies van politieke massapartijen. Er zijn veel meer spelers met stevige opinies bij gekomen en sommige partijen hebben nog maar weinig opinies of zijn windvanen die geregeld van mening veranderen, zelfs over halszaken.

Tekst (van toen ik 25 jaar jonger was, 41 jaar oud)

Bijna elke week zijn in de media de uitslagen van verscheidene opiniepeilingen te lezen. De Nederlanders vinden de werkloosheid het grootste probleem of de jeugd blijkt grotendeels negatief over Duitsers te denken. Mannen moeten meer in het huishouden doen.

Het lijkt erop dat overheden en bedrijfsleven hebben leren leven met de publieke opinie zoals hun voorouders met massademonstraties, stakingen en opruiende socialistische ideeën. Maar wat is de publieke opinie? Als je in Nederland mensen op straat die vraag zou stellen, zou je vermoedelijk ten antwoord krijgen: de publieke opinie is wat u en ik denken.

Maar overheden, bedrijven en tal van instellingen verstaan tegenwoordig heel wat anders onder ‘publieke opinie’: namelijk wat de media van de dingen denken en wat de opiniepeilingen zeggen.

Was het nog geen twintig jaar geleden zo dat men voor een opinie te rade ging bij vertegenwoordigende lichamen en andere intermediairen die wisten of meenden te weten wat er onder de mensen leefde, aan het eind van deze eeuw leven we in de Polaroid-staat: steeds vaker leveren opiniepeilers op verzoek een momentopname van ‘de’ publieke opinie.

Het lijkt op zuivere zuurstof voor een kwakkelende democratie. Radio, televisie en pers brengen de uitslagen van enquêtes als serieus nieuws, als het gelijk van de meerderheid dat verantwoordelijken niet kunnen of niet zouden mogen negeren.

Door het inmiddels enorme aantal opiniepeilingen worden de bezwaren ertegen weggevaagd: geen journalist bestudeert nog of de vragen niet te suggestief waren, of de geënquêteerden op de hoogte waren waarvoor de opiniepeiling diende, of zij van tevoren geïnformeerd zijn en hoe. Dat zou dagen werk zijn, en dat voor iets wat het toch nooit verder schopt dan een paar honderd woorden op de voorpagina. Menig uitslag is dus per definitie nieuws. <p.s. Ook de representativiteit van opiniepeilingen en steekproeven wordt nog niet altijd gecheckt.>

Sterker nog: de journalist heeft er een nieuw wapen bij, en hij laat zelf opiniepeilingen uitvoeren, zoals De Telegraaf laatst deed aan de vooravond van de spoorwegstaking die niet doorging.

Vroeger kon de journalist wel kritiek leveren, maar dan kon er altijd gezegd worden: en wie denk je dat je bent? Onze Lieve Heer soms? Nu kan hij iets in naam van de meerderheid verklaren, soms zelfs uit naam van alle Nederlanders. Zijn status begint die van koningin Beatrix te benaderen.

Veel storender is dat de opiniepeiling suggereert te vertellen wat er onder de mensen leeft <p.s. terwijl zij soms wakker liggen van heel andere sociale of politieke problemen>, wat zij denken, wat zij zouden willen dat er gebeurt. Een opiniepeiling wekt de indruk exact, tot twee cijfers achter de komma, het gewicht van miljoenen individuele meningen weer te geven.

Maar, de opiniepeiling is gebaseerd op een illusie van gelijkheid van geënquêteerden. Die gelijkheid bestaat niet. Niet alleen doet de mening van de één er in werkelijkheid veel meer toe dan die van de ander, maar ook zijn de gepeilde per definitie de meningen van een niet-militant, passief, eigenlijk zwijgend deel van de bevolking.

‘Representatieve’ steekproeven zijn ertoe veroordeeld elke actieve minderheid uit de werkelijkheid weg te werken, evenals elke niet-gematigde oppositie, extremistische groeperingen en ook elke sociale beweging, hoe invloedrijk ook.

De opiniepeiling suggereert ook een doorzichtige samenleving die met de telefoon in de hand begrepen kan worden. Maar opiniepeilingen zijn geen spiegel van de maatschappij, waar de meningen in enkele weken kunnen omslaan, en honderdduizenden mensen op de been kunnen komen. Dat gebeurde bijvoorbeeld in België dankzij de alliantie tussen een handjevol onderzoeksrechters en een groepje ouders van vermoorde kinderen. <p.s. Voor wie toen nog niet geboren was: ik doel hier op de Witte Mars in Brussel op 20 oktober 1996 n.a.v. de affaire-Dutroux.>

Verbergt de opkomst van de opiniepeiling onze afkeer van openlijke confrontatie tussen allesomvattende wereldbeelden en leefvormen? Zo ja, dan moeten we beseffen dat het een slecht surrogaat is voor publiek debat. Opiniepeilingen hakken de werkelijkheid nu eens zus, dan weer zo in mootjes: naar leeftijd, naar provincie, naar inkomen, naar opleiding, naar nationaliteit.

Alleen wetenschappelijke interpretaties willen nog wel eens een groter verband waarnemen, tussen zeg een christelijke achtergrond en mening X, of de aanwezigheid van levendige herinneringen aan de crisisjaren en mening Y. Maar in de regel komen al die meningen nergens vandaan. Zo wordt onbegrijpelijk waarom de publieke opinie in korte tijd 180 graden kan draaien.

Ook maken opiniepeilingen zich schuldig aan een onhoudbare gelijkstelling van publieke opinie met de markt. Techniek en aanpak van opiniepeilingen lenen zonder met de ogen te knipperen alles van markt- en marketingonderzoek.

Vroeger maakten wetenschappers zich daar nog vrolijk over, maar nu tienduizenden burgers elke week gebeld worden met de vraag wat zij van biotechnologie dan wel luierreclame op tv vinden, is het niet meer leuk.

Eerst hadden we de illusie van de onzichtbare hand van de markt, die, intelligent, op den duur te dure, slechtgemaakte of ongewilde producten uit de markt zou drukken, en die bedrijven zou stimuleren exact datgene te fabriceren wat de markt wil.

Nu hebben we ook de stille kracht van de opiniepeiling. Ook de publieke opinie is ‘intelligent’, drukt – als het goed is – te dure, gevaarlijke of niet lekker liggende minderheidsopinies uit de markt en prest politici – als het goed is – datgene te fabriceren wat de publieke opinie wil.

De in opiniepeilingen vervatte publieke opinie corrigeert extreme ideeën, laat zien wat er werkelijk leeft, geeft aan wat de werkelijke prioriteiten van de politiek moeten zijn. Nobel, maar waarlijk een even idyllisch beeld als dat van perfect werkende ‘marktmechanismen’.

Welk compromis is er mogelijk tussen een voorkeur voor een nieuwe Mercedes en een vierdehands Renault? Geen enkel. Het is het een of het ander. Maar zulke keuzes lijken in de verste verte niet op besluiten waar men rekening met anderen houdt.

De gedachte dat de opiniepeiling de werkelijkheid beter weergeeft dan elke andere meetlat, heeft de roep versterkt om institutionalisering van de meestal nu nog door particulieren uitgevoerde opiniepeiling: het referendum is populairder dan ooit en dat ziet er in sommige landen al uit als het soort vragenlijst dat bij opiniepeilingen wordt gebruikt.

Zo moesten Italiaanse kiezers onlangs tijdens een referendum over de toekomst van de omroepwetgeving op tientallen vragen met ja of nee antwoorden. In België is tijdens de zaak-Dutroux het idee populair geworden dat 5.000 handtekeningen van burgers onder een wetsvoorstel voldoende moeten zijn om dat voorstel in het parlement behandeld te krijgen.

De burgers raken door de eindeloze reeks opiniepeilingen gewend aan het idee dat de representatieve democratie niet meer goed werkt, en dat er geen enkel sociaal of politiek filter meer nodig is.

Rustgevend is de gedachte dat een staand leger van opiniepeilers een typisch overgangsverschijnsel is van klassieke partijendemocratie naar wat anders, van vertegenwoordigende democratie naar een regeringsvorm die wat minder bang is voor de massa.

Maar voorlopig wordt de beter dan ooit geschoolde massa door het fenomeen van de opiniepeiling even hard van werkelijke deelname aan besluiten afgehouden als in de conservatieve democratie die vond en vindt dat regeren aan de deskundigen en beroepspolitici moet worden overgelaten.

Motherly advice from mama Madeleine Albright

Madeleine Albright, minister of Foreign Affairs during the regime of president Bill Clinton (1997-2001), wrote her seventh book: To hell and other destinations. These memoires cover the period 2001-2019 in which she created her own international company for political advice and became a board member of several American thinktanks, as well as in the international Center for Legal Empowerment of the Poor (CLEP) founded by the revolutionary Peruvian economist Hernando de Soto. She also joined the board of the New York Stock Exchange, but this institution didn’t suit her talents, she concluded after a while. In 2001 she accepted again a parttime job as university professor and would continue to do that for another twenty years.

All of this is, to say the least, not bad for a daughter of Czech refugees who fled the nazis. Divorced by her husband and freed from the care for her three daughters who had become succesful adults, she embarked on this new career with incredible energy, probably supported by a fitness training for which she still gets up around five in the morning, three days a week. She is now 83 years old.

I was a little shocked to read that an ex-minister of foreign affairs of the most disliked superpower in the world doesn’t enjoy any protection in her new daily life, walks the streets of Washington at night alone, is doing her own shopping, drives her own car. Perhaps it is thanks to the speed by which even a VIP as Albright is forgotten, that such a treatment has never led to assassination attempts but becomes food for funny anecdotes: once, waiting endlessly for a check of her bags, she yelled at a British customs officer “Do you know who I am?” He responded: “No, but we have doctors who can help you find out.”

Madam Secretary, the book that contained her memoires as the first American female Secretary of State, was an international bestseller but it is doubtful that this book will equal that success. Of course, she has some inside information and valuable judgments on offer, about her successors Colin Powell and Condaleezza Rice, and about various political events in those twenty years. She also remains the professor who will tell you interesting stories about American history and the feminist who supported for example Hillary Clinton’s campaign to become the USA’s first female president.

When it comes to her  thinking about international politics, however, the level, surprisingly, rarely exceeds that of average journalists, let alone well-informed diplomats, academics and actors in the field .She also leaves out entire patches of – unwelcome? – reality. Frequently, she comes up with advice, often moralistic, that could have been given by any ordinary citizen. It is painful to read her motherly advice such as the one concerning the war in Syria:  “World leaders should constantly try their best to identify problems and help to solve them before they get worse.” Instead of letting a foreign conflict develop to a stage that leaves an American president with only two options – sending troops or be bystander of genocide – “the most sensible thing is to invest in diplomatic means, including economic support, nonviolent mediation and support for political pluralism and human rights.” It was “absolutely impossible to unify the Syrian opposition” she writes, skipping the fact that the Syrian resistance was nonmilitary, broad and unified, until Gulf states, Russia, Iran,Turkey and western states began picking allies, turning an uprising into a proxies war.

2001 was the year of 9/11 attacks and she thinks that president George W. Bush and his government  should have focused solely on destroying Al-Qaeda, instead of invading Iraq too and removing Saddam’s regime –  a military operation made so much easier by the years-long crippling embargo against Iraq that she supported as US ambassador to the UN and as US Secretary of State and which had a similar aim. Albright has been haunted for years by a most  unfortunate remark she made in 1996, after American television broadcasted a reportage on the effect of the embargo on Iraqi children. Journalists claimed (incorrectly) over half a million children had died of hunger and lack of medical care. When Albright was asked if that horrendous number of deaths, “more than the number of kids killed in Hiroshima”, was “worth such a price”, she answered that she “found it a very difficult choice, but the price… we think it is worth the price.”  In her new book she describes how, later on, she was shunned by students who considered her a war criminal and anything but the role model Albright wants to be for the young.  She devotes four pages to defend the embargo, blaming Saddam for all its consequences and skipping the fact that her beloved United Nations Organization almost collapsed under the weight of the corruption caused in its ranks by the embargo’s oil-for-food program.

When she writes about the “disappointing” Arab Spring, she comes up again with motherly advice for the entire Middle East, suggesting there is two kind of humans there, the peace-loving individuals who would love to build a prosperous society and others who want to destroy their alleged enemies. “If you look at it that way, a forward-looking Palestinian teacher has a lot in common with the apolitical Syrian craftsman, an idealistic Iranian nurse, a Kurdish farmer who doesn’t interfere in the lives of others, a Saudi business woman or a kind Israeli soldier doing a basic army training. These people should be allies, not enemies, whatever their leaders say.” And whatever Washington says, I would add. But that would make her elderly women’s world too complex, I’m afraid.

Risky business: lying for the good of your country

Why leaders lie – the truth about lying in international politics is a small book of some one hundred pages of analysis and over thirty pages of notes. The text is probably so limited, despite a lot of research, because the author, professor John Mearsheimer, actually didn’t find a wealth of examples of states lying to other states. This shouldn’t surprise anyone, because most communication between states goes on in diplomatic circles, and there, confidentiality, discretion and secrecy are the norm, not the norms of public announcement or democratic debate.

          Nevertheless, as we all know, some states, or rather their leaders, have publicly lied sometimes to other states, enemies as well as allies.  All of them have usually been caught later, by journalists or historians, and their publications, documentaries and movies have now convinced half the world’s population, I estimate, that lying is so frequently used in international relations that it must be considered a modern habit. Actually, already some fourhundred years ago, a British diplomat remarked that an ambassador is “an honest man sent to lie abroad for the good of his country”.

Not commonplace

Mearsheimer disagrees. He does give dozens of examples of lying between states but he concludes that it is not commonplace at all, as the costs will usually outweigh the benefits. When the professor asked other scientists to provide him with examples they knew of, most of them immediately and enthusiastically promised feedback and then later on had to apologize, because, to their own surprise, their harvest was actually poor. Mearsheimer concludes that political leaders lie a lot more to their own people than to other states and that leaders in liberal democracies lie more often to their citizens – about their foreign policies and wars that is – than leaders in dictatorships!

          Mearsheimer is an American and from his  notes I gather that he doesn’t master any other language than English, so no Spanish, French or Russian, let alone Arabic, Swahili or Chinese. How much can you know, with this  limitation, about lying between the almost twohundred states on this planet and about their motives? Not so much, I’m afraid, especially as the revelation of secrets and inter-state lies by former foreign ministers, ambassadors, generals and high-ranking advisors usually happens in memoires and television interviews in local languages. I think that it is not a wild guess to assume that states with very different histories and social taboos, different political cultures and rules for leaders, as well as a different kind of nasty neighbours, also lie for different reasons to other states or their own people.

Obsessed with Iraq

Mearsheimer seems to think (inevitably?) that he can deduce universal truths about lying between states from mainly American and European examples of the past 150 years or so. The universality might be doubtful, but what Mearsheimer extracts from these limited examples is interesting enough. For Iraqi readers the book is especially informative, because the author is almost obsessed with the road to the last war in Iraq. Before the invasion of Iraq in 2003, as we can now know, so many lies were told in public by American president George W. Bush and his officials, that the selling of that “preventive war” will probably remain a classical case of how not to lie.  The author devotes around fifteen pages to the lies that preceded the toppling of Saddam’s regime. He says that people often don’t punish leaders for lies, unless the results are bad. He quotes approvingly Washington Post columnist Richard Cohen who wrote in 2005: “One could almost forgive president Bush for waging war under false or mistaken pretenses had a better, more democratic Middle East come out of it.”

Varieties of lying

There are different forms and degrees of  lying in relations between states. The degrees concern  lying as we understand it in daily life and “lying less”, which happens in the case of deception, bluffing, concealment and spinning (telling a story that emphasizes certain facts and links them together in ways to make a policy look positive, downplaying or ignoring inconvenient facts). The boundaries between these categories can be “murky” as Mearsheimer admits.

          Mearsheimer furthermore proposes a distinction between outright lies, fearmongering, strategic cover-ups (for example about military blunders and incompetent generals), nationalist mythmaking (for example a lie about past but nonexistent military victories to impress allies), liberal lies (for example a lie to suggest one’s government always respects the Geneva conventions), “social imperialism” (by which the professor means lies concerning a foreign policy “that will benefit a narrow slice of society, not the general welfare”) and last but not least “ignoble cover-ups”. These are lies for selfish reasons such as winning the next elections despite obvious failure to protect one’s country from harm.

In the national interest

Mearsheimer only discusses the first five kinds of falsehoods, lies “that are told in the service of the national interest”. Such lies are “strategically justified”, he explains, whether or not they achieved what they intended to accomplish. He repeats the old belief that states are rivals that live in an anarchic world, a world “without permanent allies” and without guarantees for nice behavior of other states, and he agrees that it might sometimes even “be the duty of a leader to lie”, to safeguard the interests of his country. Still, he warns, one finds very few international lies that have been “devastatingly effective”. Especially international lies that leaders tell their own citizens remain a super-risky business: “They are more likely to backfire and damage a state’s strategic position” and they might “corrupt political and social life at home, which can have many harmful consequences for daily life”.

Kinds of truths

In the 1940’s, the famous English novelist George Orwell already wrote: “The people are not always right”. This is a sad truth: one always wishes wisdom to be eternally available from certain sources, if only an ordinary neighbour, but that doesn’t exist in real life.  Orwell’s frank statement however wasn’t meant to justify manipulation of the people’s opinions and behaviors by lies and half-truths, on the contrary. His novel 1984, about a dictatorship devoted to mind-controlling techniques and, if these don’t work, repression, terror and assassinations, proves that beyond doubt. But what does a leader do with his own citizens if they are not right?

          Mearsheimer is convinced that “the common people invariably hunger for nationalist myths; they want to be told stories about the past in which they are portrayed as the white hats and opposing nations as the black hats. In effect, nationalist mythmaking is driven from below  as well as from above.” I am not so sure this holds true everywhere, not even in the United States: since the 1960s millions of American leftists belonging to the “common people” have villified their own country as imperialist, racist, genocidal, a fake democracy, a paradise for ruthless capitalists and worse.

          But whatever the common people’s ideas, Mearsheimer believes that leaders easily espouse the idea that there should be different truths for different publics. Hitler’s propaganda chief Joseph Goebbels was the first master of applying this concept in the election campaigns of the nazis who shamelessly offered contradictory messages for shopkeepers and bankers, catholic women and communist males, petty bureaucrats and freewheeling artists. But also in the United States the concept is routinely applied by left, liberal and rightwing groups. As  one of the American neoconservative intellectuals, Irving Kristol, put it: “There are different kinds of truth for different kinds of people. There are truths appropriate for children; truths that are appropriate for students;  truths that are appropriate for educated adults; and truths that are appropriate for highly educated adults. And the notion that there should be one set of truths available for everyone is a modern democratic fallacy. It doesn’t work.” Mearsheimer disagrees with this disrespectful approach: “Whenever leaders cannot sell a policy to their public in a rational-legal manner, there is a good chance that the problem is with the policy, not the audience,” he writes.

Predictable why’s

The  answers to the question of why leaders lie to other states, are almost completely predictable, it turns out. They lie because their country is at war and they need to deceive the enemy about their real intentions, time schedules for attack or military stategies; they need to conceal the real number of tanks or fighter jets they possess, they need to cover-up the incompetence of one of their generals or of their poorly trained recruits. In order to avoid war, or to avoid entering a war too soon, they will easily lie about honoring treaties, their respect for holy borders and their love for Peace, while they are setting up a first-class war machine. They bluff during international negociations, they lie at the table about the conditions that their great country absolutely wouldn’t be able to accept, they spread fear about what they will do if the others are not more flexible. They tell fairy tales to their allies to get their support or because they think their friends can’t keep a secret. They spread fear about weapons they don’t have or have no intention of using.

          In short: why leaders lie has nothing mysterious, it needs little imagination. Which means that it is better to lie as little as possible if one needs to avoid the breakdown of a conversation with enemies, allies, citizens or journalists.

          Throughout his book, Mearsheimer is generous with examples about the downsides, disadvantages, costs and great dangers of telling lies to other states and of lying about foreign policy to your own citizens. He devotes an entire chapter to backfiring and blowback of telling international lies, but it is not so concrete and filled with historical examples as the texts on deception, concealment, bluffing, spinning, mythmaking, fearmongering and cover-ups. Perhaps, after four years of Trump, the author will rewrite this chapter. About how lies can bring down even a superpower.

(this article was published in Arabic in the daily newspaper Al-sabah al-jadeed/newsabah.com, in 2018)